Onvoorwaardelijk Basisinkomen en de Juiste Prijs

De inleiding tot de discussie is geschreven door Wolfgang Held.

Passie wekt het basisinkomen op – een verloren gevoel als het over een maatschappelijke visie gaat. Belangrijk is het breed gevoerde debat.

Marc Desaules

Marc Desaules

In de Schweizer Mitteilungen der Anthroposophischen Gesellschaft (nr. 7/8, 2013) stelt Marc Desaules, secretaris-generaal van de Zwitserse Antroposofische Vereniging, de vraag of het onvoorwaardelijk basisinkomen wel past binnen het idee van een gerechtvaardigde prijs. Het “uit de hemel vallende inkomen brengt totale afhankelijkheid”. Daarentegen zou een billijke prijs die gebaseerd is op de toekomstige kosten van de maker, leiden tot een inkomen dat een beloning is voor verricht werk. Het basisinkomen benadrukt de rechten van het individu, maakt hem los van de gemeenschap, terwijl de juiste prijs gekoppeld is aan het werk, een betekenisvol geschenk met karmische dimensie. Juist in de onvoorwaardelijkheid van het basisinkomen ziet Marc Desaules een gevaar en daarom een tegenstelling tussen de juiste prijs en het basisinkomen. Op bezwaren van John Ermel in de volgende editie antwoordt Marc Desaules dat de juiste prijs niet het resultaat is van eerlijke onderhandelingen tussen kopers en verkopers maar de voorwaarde is. De juiste prijs is niet het resultaat van een onderhandeling maar het sluitstuk van een rekening. Deze rekening moet ook al die kosten bevatten die ver van tevoren gemaakt zijn, zoals onderwijs en opleiding. Terwijl de vertegenwoordigers van het idee van een basisinkomen het zien als een bevrijding van mensen en zijn innovatieve kracht waarderen, benadrukt Desaules dat het de onafhankelijkheid en vrijheden alleen maar kan beperken. Zijn een gerechtvaardigde prijs en het basisinkomen wel tegenstellingen? Is er werk waarvoor men geen prijs kan berekenen? Deze vragen staan ter discussie.

De hieronder volgende tekst is van Benediktus Hardorp.

Het basisinkomen en de juiste prijs
Marc Desaules stelde onlangs Rudolf Steiner’s pleidooi voor een juiste prijs tegenover het idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen.[1] Zijn het echt tegenpolen?

Benediktus Hardorp

Benediktus Hardorp

In zijn in juli 2013 verschenen uiteenzetting over het onvoorwaardelijk basisinkomen herinnert Marc Desaules terecht aan het weinig bekende maar cruciale principe van Rudolf Steiner’s economisch werk, de leer van de “juiste prijs”.[2] Met behulp van dit principe toont Steiner in zijn Nationaal-Economische Cursus (1922) aan, dat een sociaal eerlijke prijs niet, zoals meestal gedacht wordt, bepaald wordt door ontstane kosten – betaling van de leverancier voor de fabricage of aankoop van het product (zijn kant van het verleden) – maar dat de blik bij de prijsvorming op de toekomst gericht moet zijn en men zich moet afvragen: kan degene die het werk uitvoert met de opbrengst van de prijs die hem toekomt met zijn naasten, zijn familie en zijn medewerkers (en in een nog bredere kring zijn leveranciers), leven en doorwerken tot hij opnieuw producten aan anderen (aan de markt) beschikbaar kan stellen? Deze potentiële prijs wordt door Steiner aangeduid als de “juiste of gerechtvaardigde prijs”.

Zo compleet als de stelling van Pythagoras
Deze formule betekent dat men moet beginnen alle toekomstige processen op basis van de tot nu toe beschikbare middelen en hulpbronnen in kaart te brengen. Het verleden mag geen maatstaf zijn voor toekomstige op haar bouwende processen, want de toekenning van beschikbare middelen moet voortkomen uit de voorwaarden voor de volgende toekomstige periode onder vastlegging van de doelstellingen die we voor haar hebben. Als men zo te werk gaat, komt de toekomst die men nastreeft met behulp van de “juiste prijs” tot stand. Deze formule, voegt Rudolf Steiner toe, “is zo compleet als de stelling van Pythagoras volledig is voor alle rechthoekige driehoeken!” En verder: “Begrijpen hoe men in deze formule het gehele economische proces samenbrengt, dat is nu economische wetenschap beoefenen.”[3] De verwijzing die Marc Desaules naar deze formule maakt is dus om haar te onderstrepen. Zij moet als algemeen geldende formule echter ook de vraag beantwoorden hoe wij de uit het arbeidsproces ontslagen mensen willen en moeten toerusten met een bestaanswaardig inkomen!

Rudolf Steiner

Rudolf Steiner

Een vroege vorm van deze prijsformule was al in 1905 bij Rudolf Steiner aanwezig in het tweede deel van zijn hoofdartikelen over het thema ‘Geesteswetenschap en sociale vraagstukken’.[4] Rudolf Steiner verklaart daarin het concept “uitbuiting” – een sociale strijdkreet van de arbeidersbeweging in die dagen. Als docent aan de Berlijnse opleidingsschool voor arbeiders Wilhelm Liebknecht was Rudolf Steiner nauw betrokken bij deze beweging. Hij wees er daar op dat uitbuiting altijd dan voorkomt als men de producten van een leverancier “te goedkoop” aanschaft, dus niet de prijs betaalt – de juiste – die zijn toekomstige prestatievermogen beschermt. De blik wordt consequent naar voren op de toekomst van de leverancier gericht. De begunstigde moet zich daarom afvragen of hij bij zijn betaling “rechtvaardig” handelt door te kijken naar de positie van degene die voor hem werkt en zo mogelijk zal blijven doen, dat wil zeggen of hij hem zo “beloont” en hem voorziet van middelen, zodat deze in de toekomst weer een dienst (van hetzelfde type) kan bieden en daarbij een menswaardig leven kan leiden met voldoende ontwikkelingsmogelijkheden. De begunstigde wordt daarbij aangespoord tot zelfkennis in het sociale verkeer. De prijsformule volgt hetzelfde principe en zegt met andere woorden hetzelfde voor zakelijke transacties op een vrije markt zoals die tussen mensen wordt afgesproken in een rechtstreekse werkrelatie.

De organisatievormen en handelingsterreinen die de “juiste prijs” kunnen en moeten bepalen, noemt Steiner “associaties”.[5] Als sociaal bewust orgaan kennen ze de condities van instituties en de betrokken mensen handelen daaruit. Associaties bieden macro-economisch wetenschappelijk – in tegenstelling tot waarde creërende ondernemingen – de ontwikkeling van maatschappelijke vormen van organisatie gericht op bewustwording van het economisch leven, die “de juiste prijs” steeds opnieuw weer helpen te herstellen om uitbuiting te voorkomen.

Is het basisinkomen in tegenspraak met Steiner?
Voor deze vorm van economie is naar de mening van Marc Desaules het streven naar de introductie van een “onvoorwaardelijk basisinkomen” eerder een sta-in-de-weg of tegenstelling. Het onvoorwaardelijke karakter van die inkomenssteun, zegt hij, is “gevaarlijk” en lijkt op “het kind met het badwater weggooien”. Het focust mensen door “regelmatige geldinjecties” op het “eigen inkomen”, laat geen ruimte voor een ontmoeting met de “spirituele werkelijkheden”[6] en brengt dus alleen als resultaat “ellende, armoede en ontbering”; kortom: het is in tegenspraak met “Steiner’s basisleer over de economie” van de “juiste prijs”.

Kan men Desaules’ voorstelling volgen? Daar moet voor alles het probleem van de werkloosheid (of het verlies van het reguliere inkomen) genoemd worden – een probleem dat momenteel wereldwijde dimensies vertoont. Er is, zoals we elke dag horen, voor een groot deel van de Europese jeugd geen hoop op toegang tot een bevredigende en actieve integratie in de maatschappij. In plaats van hoop en een zinvol leven met individuele levenstaken worden enorme sociale problemen door demotivatie zichtbaar. Politieke radicalisering, arm tegen rijk, Centraal-Europa tegen Zuid-Europa, broeit.

Het is belangrijk te erkennen dat de manier waarop we tegenwoordig produceren, een gestaag groeiende werkloosheid ten gevolge heeft. Het werk is geautomatiseerd, overgenomen door intelligente computers, het krimpt zienderogen. De robot werkt sneller, klaagt niet en is goedkoper. De mensen die het oude werk vroeger deden en waarvan we dachten dat wij ze “voor het geleverde” hadden betaald, zoals men “producenten van echte productie-arbeid” behoort te betalen door hen sociaal op te nemen in het bedrijf, kunnen de technische concurrentie steeds minder aan en worden voor een management, dat denkt in kostenbeheersing te duur en daarom ontslagen. Zo verkleinen de bedrijven de kostenfactor mens. Paradoxalerwijze echter wordt dezelfde onderneming – daar komt de sociale samenhang onverwacht terug – medefinancier van de gevolgen van de ontslagrondes door hem opgelegde wettelijke sociale verplichtingen. Het individuele bedrijf opereert nu economischer, maar laat de vraag in het midden, hoe de ontslagen werknemers aan nieuw werk kunnen komen en aan een inkomen dat bestaanszekerheid geeft. Die vraag laat het over aan de gemeenschap. De zorg voor de ontslagenen beschouwt het als niet behorend tot zijn taak: het ontslag werd immers gedaan om zich van deze zorg te ontdoen.

existenzangstWat volgt? De “uitgerangeerde” mensen worden in de samenleving als tweederangs burgers naar de zijlijn gedirigeerd, omdat ze in arbeidsconflicten verloren hebben. Ze proberen om hun werkloosheid te verbergen omdat zij en veel van hun medemensen dat als een schande ervaren. Hun ongebruikte bereidheid tot werken, waaraan zij zelf niet twijfelen, moeten zij nu door regelmatige meldingen bij de bureaucraten van het arbeidsbureau bewijzen. Ze moeten voor de arbeidsmarkt, die hen eerder heeft weggejaagd, beschikbaar blijven voor het geval een bedrijf hen toch nog “voor een koopje” zou willen nemen. In Duitsland heet dat “Hartz IV” – of hoe de controle- of steunsystemen van lage inkomens dan ook genoemd worden tegenwoordig. Bijverdienen is verboden of het wordt in mindering gebracht – dus vanuit financieel perspectief niet de moeite waard. Deelname van de “verliezers” aan het sociale leven wordt tot een minimum gereduceerd, is onwaardig. De sociale problemen van individu en samenleving stapelen zich zo op. Van de “waarde van de arbeid als hoeder van de menselijke waardigheid”, waarover Marc Desaules spreekt, kunnen de slachtoffers alleen maar dromen. Ze zouden en willen graag werken voor hun inkomen! Maar op welke manier kunnen ze dat doen? Kan het onvoorwaardelijk basisinkomen ons hierbij verder helpen?


Het basisinkomen zou ook mensen met een laag inkomen de vrijheid geven om hun eigen beslissingen te nemen. Dat zou het klimaat van menselijke betrekkingen drastisch verbeteren.


Een onvoorwaardelijk basisinkomen zal immers niet toelaten dat men onbegrensd luiheid nastreeft, niets meer doet en op de bank blijft zitten. Het zal veel meer een gelegenheid bieden om op bescheiden niveau tot nieuwe activiteiten te komen waarbij de menselijke keuzevrijheid wordt gerespecteerd – zonder te vragen en te willen controleren wanneer, hoe en of de zo bescheiden ondersteunde tot een beslissing is gekomen en hoe het verder zal gaan. De mogelijkheid om de traditionele opvatting “niets te doen” in praktijk te brengen is, als men tevreden is met een bescheiden basisinkomen, daarin opgenomen. Het laatste is overigens, dat moeten we niet vergeten, ook vandaag de dag al mogelijk, indien iemand beu van zijn onaangename of zelfs vernederende werksituatie, zich weet te onttrekken aan alle onredelijke eisen door een beeld te scheppen van vermeend of daadwerkelijk gebrek aan geschiktheid er voor (door “ziekteverzuim”, bijvoorbeeld). Uiteindelijk is het niet te verhinderen – en daarom is het economisch profijtelijker, deze feiten zonder aanvullend onderzoek te accepteren dan een dure bureaucratie, die geen resultaten boekt, te financieren om dit te voorkomen. Dit leidt alleen maar tot een kat-en-muisspel met echte of valse ziekmeldingen.

Een onvoorwaardelijk basisinkomen zou ook voor mensen met lage inkomens een unieke basis leggen om in vrijheid beslissingen te nemen ten aanzien van het maatschappelijk leven, wat het klimaat van menselijke betrekkingen in onze wereld enorm zou verbeteren. Ondernemingen zouden medewerkers moeten lokken zonder dat zij werkzoekenden economisch onder druk kunnen zetten. Het gaat tenslotte ook niet om “verspilling van geld” omdat wij als samenleving ons immers verplicht hebben, alle mensen economisch te onderhouden. Het basisinkomen zal uiteindelijk een meer geavanceerde vorm van inkomen door een minimale geld-overdracht blijken te zijn, dat we sowieso beschikbaar moeten stellen en dat administratief met een fractie van het huidige toezicht op de besteding vormgegeven kan worden. De toezichthouder die we tot nog toe gehad hebben, zal zich voor de taak gesteld zien staan zich te richten op waarde creërend productief werk of het uitvoeren van zinvolle sociale taken in de maatschappij.

Hun weg vinden in de arbeid
Het onvoorwaardelijk basisinkomen opent, zoals veldonderzoek in Zuid-Afrika toont,[7] door een bescheiden basisinkomen een klimaat van initiatief en ontwikkeling en geeft veel mensen de kans zich over te geven aan hun eigen specifieke bezigheden.

Das bedingungslose Grundeinkommen hat Frieda Nembwayas Initiative geweckt.

Das bedingungslose Grundeinkommen hat Frieda Nembwayas Initiative geweckt.

Het zal extra toegevoegde waarde creëren en de samenleving daardoor welvaartswinst brengen in plaats van problemen met de financiering. Diegenen die de sociale verbeelding voor dergelijke oplossingen missen, kunnen zich geen voorstelling maken van het basisinkomen en zullen het daarom ook niet in overweging nemen. In plaats daarvan gaan ze van voorwaarden uit die zij zo hebben ontworpen dat zowel de enkeling als de samenleving in de valstrik van de armoede eindigt. Zij zien, zoals men zegt, door de bomen het bos niet meer, maar zijn intellectueel moeilijk te bereiken. Ze maken gebruik van hun vrijheid om te ontkennen – maar ook dat moeten wij tot nu toe verdragen en dat kunnen we ook. De grotere vraag is hoe lang degenen die naar de zijlijn zijn gemanoeuvreerd hun uitzonderingspositie om niets te mogen doen kunnen verdragen. De mens is gemaakt om actief te zijn!

Door het onvoorwaardelijk basisinkomen worden mensen in staat gesteld om op eigen kracht zelf gestelde doelen na te streven en de wegen daarnaar toe te bewandelen. Omdat zij geholpen worden bij de start kunnen zij initiatieven ontwikkelen en op die manier de waarde van arbeid en maatschappij hervinden. De oude sociale systemen en werksituatie hadden hen deze inzet ontzegd. Ze ontdekken in de vrije ruimte opnieuw hun menselijke waardigheid in activiteiten voor anderen. Ze nemen hun plaats in de wereld in, in de “juiste prijs” van het leven, stellen hun toekomstige sociale leven zeker en geven haar op deze wijze gestalte. Uiteindelijk ontmoeten zij Marc Desaules en kunnen we ontvangers van het basisinkomen na zorgvuldige overwegingen in de weidse wereld van de “juiste prijs” opnemen. Het doel, waar hier op gewezen wordt, blijft intact en het pad er naar toe kan voor het anders afgedankte of anderszins niet geïntegreerde individu juist door het onvoorwaardelijk basisinkomen weer worden opengesteld. Realisatie van de “juiste prijs” krijgt en houdt ook voor hen geldigheid. Wat aanvankelijk leek op een verzameling losse feiten, blijkt aanvaardbaar te zijn voor het geheel. Want niet het koesteren van verschillen, maar de ontdekking van wat wij gemeen hebben voert ons mensen – ook met andersdenkenden – verder. En daar komt het uiteindelijk op aan. De antroposofie is bereid en in staat om tot deze ontdekking te komen. De prijsformule toont voor allen de weg.

Vertaling: © Florie Barnhoorn

Oorspronkelijke titel Grundeinkommen und richtiger Preis, zie http://www.dasgoetheanum.ch/Detail.6158.0.html?&tx_ttnews[tt_news]=3303&cHash=5adfc46310ac8b353496d3985fe90fdc. Gepubliceerd op 11-11-2013 door Benediktus Hardorp.


1. Marc Desaules: Der richtige Preis anstelle des bedingungslosen Grundeinkommens in den Mitteilungen aus dem anthroposophischen Leben in der Schweiz’, (Nr. VII/VIII 2013) und in Nr. 14/2013, S. 3 f. der Nachrichten für Mitglieder der Anthroposophischen Gesellschaft, Dornach.
2. Vgl. R. Steiner: Nationalökonomischer Kurs, GA 340, S. 82.
3. R. Steiner, wie Anm. 2.
4. Vgl. GA 34.
5. Vgl. R. Steiner: GA 340, S. 82 f., S. 123, S. 152 f., zu ‘Assoziation’ vom Verfasser: Elemente eine Neubestimmung des Geldes, Karlsruhe 2009 (3). S. 266 f., 274, sowie 317
6. Letzteres wird sicherlich nachtodlich eintreten und Entwicklung vorbereiten.
7. Der Spiegel und andere Zeitschriften berichteten darüber.