exportoverschot

Donald Trump’s aanval op Duitsland

Waarom is de Amerikaanse president, Donald Trump, niet blij met Duitsland? Klopt het misschien wat hij beweert over het Duitse exportoverschot? En wat hebben kapotte schooltoiletten daarmee te maken? De verslaggever van Kraut, Rico Grimm, geeft antwoord. Aansluitend analyseert Leon Segers de situatie voor Nederland en de Europese Unie en geeft hij aan hoe een onvoorwaardelijk basisinkomen voor de broodnodige nieuwe evenwichten kan zorgen.

1. Wat heeft Donald Trump gezegd?
Trump dreigde al voor zijn aantreden extra invoerrechten op Duitse goederen te zullen heffen. Hij nam vooral de Duitse autofabrikanten op de korrel: “Als je op Fifth Avenue [in New York] loopt, zie je voor ieder huis een Mercedes-Benz staan, nietwaar? Feit is dat zij [de Duitsers] zeer oneerlijk zijn tegenover de VS.”
Hij wil daarom de importheffingen verhogen: “Ze kunnen auto’s voor de VS bouwen, maar ze zullen over elke auto die de Verenigde Staten binnenkomt, 35 procent importbelasting betalen.” Donald Trump’s handelsadviseur ging enkele dagen geleden in op de details. Hij beweerde, dat Duitsland een “extreem ondergewaardeerde munt” gebruikt om misbruik te maken van de Verenigde Staten en de EU-partners. Tijdens de bijeenkomst met de EU in mei herhaalde hij dit weer en noemde hij de Duitsers “slecht, heel slecht”.

2. Waarom moet ik mij daar druk om maken?
Omdat de Verenigde Staten een zeer belangrijke handelspartner van Duitsland is. In 2016 bestond de handel uit goederen ter waarde van 165 miljard euro. Deze handel vertegenwoordigt heel veel arbeidsplaatsen. Als deze handel in gevaar komt, komen ook veel banen op de tocht te staan.
Dat de hele zaak niet louter een theoretische kwestie is, bleek begin februari 2017. Toen werd bekend dat zowel de regering van de VS als de EU-landen zich op een conflict voorbereiden. Ook biedt de kritiek van Trump een goede gelegenheid, een paar fundamentele zaken met betrekking tot Duitsland aan de orde te stellen: hoe Duitsers hun geld verdienen. Wat dat voor onze vrienden in Europa betekent. En zelfs hoe we [Duitsers] onszelf zien.

3. Oké. Wat bedoelt Donald Trump precies met zijn kritiek?
Het bevalt Trump niet, dat Duitsland zoveel exporteert, met andere woorden zoveel goederen onder het label ‘Made in Germany’ in het buitenland verkoopt. Daarom treft zijn gram ook vooral Duitse auto’s. Zij zijn het meest zichtbare symbool voor de sterkte en de exportkracht van de Bondsrepubliek Duitsland. Het gaat hem om een bepaald probleem: dat Duitsland niet ook tegelijkertijd heel veel spullen in het buitenland koopt, met name natuurlijk in de Verenigde Staten.
Trump formuleert het zo – als voorbeeld neemt hij het Amerikaanse automerk Chevrolet: “Hoeveel Chevrolets zien jullie in Duitsland?” vraagt hij. “Niet erg veel, misschien zelfs niet één, je ziet ze daar helemaal niet, het is éénrichtingsverkeer.”

Trump’s uitspraken horen bij zijn verkiezingsstrijd. Voor het gehoor van tienduizenden mensen heeft hij herhaaldelijk benadrukt, dat de Verenigde Staten in het handelsverkeer een “slechte overeenkomst” gekregen zou hebben. Hij doelde daarmee niet alleen op de vele verschillende handelsakkoorden, waarbij zogenaamd banen waren gestolen van Amerikaanse werknemers. Maar juist ook op Duitsland, dat in zijn ogen ten koste van Amerikaanse arbeiders veel geld heeft verdiend.

Wat hij bekritiseert, hebben vele anderen al voor hem bekritiseerd, hoewel in minder schrille tonen. Hier is een onvolledige lijst met critici:

exportoverschot

Portland, Oregon

  • Barack Obama, de voormalige president van de Verenigde Staten;
  • De Europese Commissie;
  • De regering van Frankrijk;
  • De regering van Italië;
  • De regeringen van veel andere Europese landen;
  • Het Internationaal Monetair Fonds (IMF);
  • Nobelprijswinnaar Paul Krugman;
  • Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz;
  • Ongeveer een dozijn andere Nobelprijswinnaars.

Zij hekelen allen de manier waarop Duitsland handel drijft. Zij hebben vooral kritiek op het ‘exportoverschot’ van de Bondsrepubliek.

4. Wat is een exportoverschot?
Dit betekent dat een land meer goederen en diensten in het buitenland verkoopt dan het buiten de eigen grenzen koopt. In 2015 bedroeg dit overschot in Duitsland 250 miljard euro. Dus een overschot behoort nu bij Duitsland, zoals de ‘Biergärten‘ (buitencafés) bij München horen. De laatste keer dat de Duitsers meer in het buitenland kochten dan zij er verkochten, bestond de Bondsrepubliek pas twee jaar. Dat was in 1951.

5. Waartoe leidt een exportoverschot?
Om dit te begrijpen gaan we stap voor stap de handelsketen langs. Laten we beginnen in Duitsland: de export schept hier banen en vult de Duitse bankrekeningen, met name die van het bedrijfsleven. Dit extra geld beleggen investeerders, banken en verzekeraars, vaak in het buitenland – omdat daar immers ook geld nodig is om hun producten te kopen. Ze verlenen kredieten aan andere landen, financieren bouwprojecten of zoeken andere beleggingsmogelijkheden.

Belangrijk om te onthouden: het geld dat Duitsland door zijn export verdient, wordt heel vaak weer in het buitenland belegd.

exportoverschotOp vier uitzonderingen na (bijvoorbeeld Nederland) kopen de landen van de eurozone meer Duitse goederen dan wat zij op hun beurt aan Duitsland verkopen. Om deze aankopen te betalen, gebruiken ze ‘Duits geld’, dat via het systeem van centrale banken naar hen toekomt. Het is gemakkelijk te begrijpen aan de hand van een voorbeeld: als een Duitse machinebouwer een installatie voor 100.000 euro aan Spanje verkoopt, dan maakt de Spaanse klant 100.000 euro over naar Duitsland. Diens bank geeft de overdracht automatisch door aan de Spaanse centrale bank, zoals de Duitse bank van de Duitse machinebouwer ook doet. Op de balans van de centrale bank in Spanje, wordt nu een verlies van 100.000 euro ingeboekt, omdat het geld uit het land verdwenen is. Bij de Duitse centrale bank wordt een plus bijgeschreven voor hetzelfde bedrag. Beide banken melden de transactie aan de Europese Centrale Bank, die hier als bemiddelaar optreedt. Dit gebeurt voor elke grensoverschrijdende handelsovereenkomst in de eurozone. Onder de streep staan schulden, respectievelijk vorderingen. De Duitse centrale bank bezit claims van 800 miljard euro op centrale banken van andere eurolanden.

Belangrijk: met het geleende Duitse geld kopen de buitenlandse handelspartners nog meer Duitse waren.

Goederen die andere landen uit Duitsland invoeren, hoeven ze zelf niet meer te maken. Dus komen ook de bijbehorende arbeidsplaatsen er niet. Weliswaar kunnen theoretisch twee landen, die heel veel met elkaar handelen, telkens zo sterk specialiseren, dat per saldo door de handel in beide landen banen gecreëerd worden, maar dat is bij Duitsland niet het geval. Het koopt immers niet zo veel bij zijn handelspartners of beter gezegd, Duitsland koopt eenvoudige grondstoffen als olie of aluminium en verwerkt deze tot hoogwaardiger producten zoals auto’s.

Belangrijk: de handelspartners lopen arbeidsplaatsen mis door de eenzijdige Duitse export.

Dat voedt de woede van Donald Trump. In zijn inaugurele rede als president van de VS beschreef hij een Amerika waar “verroeste fabrieken als grafstenen in het landschap staan”. Fabrieken, waarin niemand meer werkt. Volgens Trump is Duitsland daarvoor verantwoordelijk is. Net zoals China dat is.

6. Waarom heeft Duitsland een exportoverschot?
De federale regering en de Duitse industrie betogen, dat Duitsland vooral zo veel exporteert, omdat het producten maakt, die zeer gewild zijn. Die houding bracht Sigmar Gabriel er toe, die als Minister van Economische Zaken op Trump’s uitlatingen reageerde, om te zeggen: “Ze moeten in de Verenigde Staten betere auto’s bouwen. Dan maken die bij ons ook een kans.” Hij kreeg hiervoor veel bijval in Duitsland. Deze reactie is niettemin te makkelijk. Want Duitsland kan zo veel exporteren (en Amerika zo weinig), omdat de steeds weer aangehaalde ‘randvoorwaarden’ voor de Bondsrepubliek aanzienlijk gunstiger zijn.

Vier redenen zijn van cruciaal belang:

a. Hoeveel kost een Big Mac? Dat ligt aan de wisselkoers!
Trump’s adviseur voor handel, Peter Navarro, bekritiseerde Duitsland voor zijn “ondergewaardeerd munt”. Hij bedoelde daarmee dat de euro in verhouding tot de sterkte van de Duitse economie te goedkoop was. Voordat ik uitleg hoe een munt te goedkoop kan zijn, wil ik de gevolgen van een te goedkope munt uitleggen.

We nemen niet weer een auto als voorbeeld, maar een vaatwasser uit Duitsland, een Miele, Bosch of Siemens. Voor zo’n machine betaal je tegenwoordig ongeveer 500 euro. Dat is veel geld. Daar denkt iedereen twee keer over na, of dat wel echt nodig is. Maar wat gebeurt er als u een korting krijgt? Meer dan vijf procent? Meer dan tien procent? Als u de hele btw van 19 procent terug zou krijgen? En de prijs dan opnieuw een beetje naar beneden zou gaan? De kans dat u toehapt, stijgt aanzienlijk. U zou dan tenslotte 100 euro uitsparen.
En wat zou er gebeuren, als niet alleen de vaatwasser meer dan 20 procent goedkoper ‘dan normaal’ zou zijn, maar ook de Duitse wasmachines, gereedschappen en zelfs auto’s? Als gewoon alles uit Duitsland met een vette korting kwam? Je zou meer Duitse waren kopen. En dat is in de afgelopen decennia daadwerkelijk gebeurd. Door deze bijna af-fabriek prijs ontvingen burgers van sommige landen een korting op Duitse producten (zonder dat iemand de detailhandelaar hoefde aan te sporen). En dat ligt aan onze euro.

Hoe een munt ‘te goedkoop’ kan zijn, wil ik nu uitleggen. Dit mechanisme is cruciaal om de kritiek van de Verenigde Staten te begrijpen. Ben je er nog?

Valuta zijn zoals alles ook handelswaar: ze worden gekocht en verkocht. Iedereen die ooit geld in het buitenland gewisseld heeft, heeft in valuta gehandeld. En alles wat verhandeld wordt, heeft een prijs. Deze prijs is de wisselkoers van een munt. Hij laat zien hoeveel een munt waard is. Als ik vandaag een euro wil kopen en dollars heb, moet ik daarvoor 1,08 dollar betalen.

In de valutahandel kan het zijn als op een rommelmarkt. Soms ben je helemaal tevreden met je aankoop en soms denk je dat je te grazen genomen bent. Je gelooft dat je teveel hebt betaald op de rommelmarkt voor dat absoluut geinige bijzettafeltje. In dat geval was de tafel overgewaardeerd. Soms echter, en dat is natuurlijk alleen bij jou het geval, lukt het je door slim te onderhandelen de tafel voor minder dan elders aan te schaffen. Dan is hij ondergewaardeerd.

Om te bepalen of een munt is ondergewaardeerd of niet, hebben we bijna 200 Big Macs nodig, een Big Mac uit elk land in de wereld. Deskundigen van het Britse tijdschrift The Economist hebben erover nagedacht hoe ze kunnen aantonen, of een munt te goedkoop of juist te duur is. Daarvoor moesten ze een product vinden dat in elk land van de wereld beschikbaar is, zodat de prijs dus goed te vergelijken is: de Big Mac.

exportoverschotZe hebben nu gekeken wat het broodje kost in de VS, Duitsland,
China en in alle andere landen, telkens in lokale valuta. Daarna hebben ze die omgerekend naar de huidige actuele wisselkoers. Als een wisselkoers precies 100 procent zou zijn, zouden jij en ik met onze euro’s overal ter wereld hetzelfde aantal Big Macs kunnen kopen. Maar goed. In Duitsland kost de dubbele hamburger 3,80 euro. Daarvoor krijg ik er in Rusland ongeveer drie en in de VS kan ik voor dit bedrag na veel overredingskracht ook een hele krijgen – dan heb ik het personeel er op de een of andere manier toe overgehaald, mij 20 procent korting te geven.
In Zwitserland zal zelfs ons opmerkelijk retorisch talent niet helpen. Dat ligt niet alleen aan de zeer correcte Zwitsers zelf. Maar ook aan hun volkomen overgewaardeerde munt. In Zürich krijgen we nog niet eens een halve Big Mac. (Maar toch: een halve Big Mac is nog altijd een hele hamburger.) Afgemeten naar deze zogenaamde Big Mac-index is de euro in Duitsland te goedkoop en daarmee ook de Duitse goederen en diensten. Inkopen doen op de Berlijnse Kurfürstendam is dus duidelijk aantrekkelijker dan op Fifth Avenue in New York.

b. Het Hartz-IV-monster drukt de inkomens en daarmee de import. De oorzaak ligt bij de lonen.
Maar er zijn nog meer redenen waarom Duitsland voortdurend wereldkampioen exportoverschot is. Eén daarvan zijn onze lonen. Het mechanisme hierachter: als de lonen laag zijn, kost het minder om een product te produceren. Dus kan het ook goedkoper worden verkocht. Als iets goedkoper is, wordt het meestal ook vaker gekocht. De lonen zijn in Duitsland in vergelijking met andere landen amper gestegen, soms zelfs gedaald. Waarom dat is, weet ik niet goed. Ik weet het niet zeker, omdat ook alle deskundigen onzeker zij over de oorzaak.
Twee dingen spelen waarschijnlijk een rol: om te beginnen was Duitsland in de eerste zes of zeven jaar van deze eeuw economisch vrij zwak. In zo’n situatie, als bedrijven weinig verkopen, is het natuurlijk moeilijker voor werknemers om hogere lonen te eisen. Daar kwam bij dat door de hervormingen van Agenda 2010 (‘Hartz-IV’) er weliswaar meer banen bij kwamen, maar deze banen worden doorgaans veel slechter betaald. Het zijn laagbetaalde banen.

Niettemin zijn de lonen juist in de op exportgerichte industrie ook sterk gestegen.
Deze industrietakken hebben zich dus tot op zekere hoogte losgemaakt van andere sectoren van de Duitse economie. Deze ontwikkeling voeren werkgevers altijd weer aan, als ze willen beargumenteren, waarom Duitsland natuurlijk geen oneerlijk voordeel heeft en alleen vanwege zijn fantastische producten een overschot heeft. Maar het argument van het bedrijfsleven houdt geen stand. Omdat drie van de vier Duitsers werken in sectoren die niet heel veel exporteren, bijvoorbeeld in de dienstverlenende sector, zoals het onderwijs of als verkoper of administratief medewerker. Daar verdienen Duitsers juist minder, als je dat met andere landen vergelijkt.
Wie weinig verdient, koopt ook minder, zowel thuis – als in het buitenland. Duitsland importeert daarom weinig, waardoor, als tegelijkertijd de verkopen stabiel blijven, een overschot op de handelsbalans ontstaat. Desondanks is de situatie iets verbeterd. De lonen stijgen weer in Duitsland.

c. Het huishoudboekje moet kloppen. De oorzaak ligt bij de staat en de ondernemingen.
Maar niet alleen de burgers zouden meer geld uit kunnen geven, ook de staat zou dat kunnen doen. Hij is zelfs heel belangrijk, omdat hij in korte tijd vele miljarden euro’s van plaats kan laten veranderen. Evengoed handelt de staat net zoals de burgers: hij investeert te weinig. In vergelijking met bijna alle andere industrienaties ter wereld geeft de Duitse regering te weinig uit aan nieuwe bruggen, wegen, betere universiteiten, databanken en scholen. En dat, terwijl de belastinginkomsten hoger dan ooit zijn. Bij de Duitse bedrijven is de situatie hetzelfde: solide winst, nauwelijks investeringen.

d. Daar staan wij voor! De Duitse middenstand en exportbevordering.
Tenslotte: natuurlijk kan Duitsland nu ook zo veel exporteren, omdat het vroeger altijd al veel geëxporteerd heeft. De beroemde Duitse middenklasse heeft zich in duizenden segmenten van de wereldmarkt genesteld, daarin de leiding genomen en haar verdedigd door vernuft, kwaliteit en flexibiliteit. Het succes van de export in Duitsland alleen aan de munt, de lonen en de investeringen toe te schrijven, is zeker te kort door de bocht. Maar deze factoren zijn wel doorslaggevend.

7. Heeft het exportoverschot ook negatieve gevolgen voor Duitsland?
Ja. De Duitsers betalen het gelag met hun lage lonen, hun wegrottende bruggen en doordat hun werkgevers hun duurzame toekomst op het spel zetten. We voelen deze gevolgen in ons dagelijks leven echter nauwelijks. De relatie tussen het succes van de export en schooltoiletten, die door hun bouwvallige staat gesloten moeten worden, is moeilijk te begrijpen. Maar dit is wel een feit. Laat dit een volgende keer, als u in een school bent, eens goed tot u doordringen.

Duitsland lijdt ook politiek onder zijn overschot op de handelsbalans. Onder de nieuwe regering Trump zou dit ertoe kunnen leiden dat de betrekkingen met een belangrijke partner als de Verenigde Staten permanent verslechterd. In Europa ruziet de federale regering vanwege het overschot telkens weer met haar partners in Rome, Parijs en Londen. De hoge Duitse export en de zeer lage Duitse investeringen is één van de belangrijkste redenen waarom de eurocrisis nog steeds niet is opgelost.

8. Hoe hangt dat nu met de eurocrisis samen?
Wat zich in de handel tussen de Verenigde Staten en Duitsland afspeelt, gebeurt op kleinere schaal met vrijwel elk ander euroland: Duitsland verkoopt veel meer dan het koopt. Dat leidt tot onevenwichtigheden in het eurogebied, die de aanleiding vormden tot de eurocrisis. Want omdat Duitslands partners diens goederen konden kopen, hebben ze zich in de schulden gestoken.
De schulden van landen als Griekenland, Spanje en Italië hebben natuurlijk ook andere oorzaken, maar de handel met Duitsland speelt een belangrijke rol. Duitsland heeft zich voor de eurocrisis gedragen als een zeer onverantwoordelijk herbergier. In plaats van zijn al behoorlijk dronken klant een glas water te geven en een taxi te bestellen, heeft het glas na glas getapt en de klant een delirium bezorgd. Dat heeft tot een pan-Europese crisis geleid, die wij nog steeds voelen. Duitsland merkt het, omdat het minder spullen in Europa kan afzetten dan het gewend was.

De eurocrisis heeft echter nog een tweede effect. Dankzij die crisis kan Duitsland zeer goedkoop geld lenen. Tot de crisis begon, verstrekten beleggers ook in landen als Italië onbeschroomd leningen. Ze wilden aan de rente verdienen. Maar toen het risico groter werd, dat deze landen hun schulden niet meer konden aflossen, zochten investeerders alternatieven. En wat was een veilige bank? Duitsland!

Een hele belangrijke afnemer van Duitse leningen is de Europese Centrale Bank. Die probeert de schuldencrisis met alle middelen die haar ter beschikking staan ‘op te lossen’. Ze koopt de schulden van bedrijven en eurolanden op en wil daarmee bereiken, dat al deze actoren weer meer investeren. Daarin schuilt ook een zekere tragedie. Want hoe meer zij koopt, des te meer euro’s rouleren er in de markt, des te minder iedere euro waard is en des te aantrekkelijker wordt het om Duitse waren te kopen, waardoor het exportoverschot toeneemt.

9. Wat kan Duitsland doen om het probleem op te lossen?
In de eerste plaats: wat Duitsland niet kan doen is in een handomdraai een nieuwe wisselkoers instellen. Als regeringen dat eenvoudigweg zouden besluiten, zouden ze afscheid nemen van een centraal principe in ons economisch bestel. Dat werd in andere tijden ook al gedaan. Maar tegenwoordig doen we dat niet meer. Duitsland kan ook niet zomaar het bedrijfsleven bevelen om minder in het buitenland te verkopen. Dat zou een planeconomie betekenen en hoe dat uitpakt, hebben we in de 20e eeuw gezien.

Duitsland moet anders te werk gaan, dan kan het de aanvallen van Donald Trump pareren en zou het tegelijkertijd de Europese vrienden de gelegenheid geven om weer overeind krabbelen.
Duitsland zou door hervormingen de sector met lage lonen kleiner kunnen maken, het minimumloon verhogen en de strijd van de vakbonden voor hogere arbeidsinkomens ondersteunen. Op die manier zullen de lonen in alle bedrijfstakken stijgen en dus ook de particuliere consumptie. Duitsland zou zelf ook schulden moeten overnemen en investeren in zijn afbrokkelende infrastructuur, via belastingverlagingen de koopkracht van burgers bevorderen en met hervormingen de bedrijven er toe brengen om meer te investeren.

exportoverschotDe door Angela Merkel aangehaalde “Zwabische huisvrouw” zou in ieder geval anders handelen als zij de leiding had over het ministerie van Financiën en echt zo veel verstand van geld had als altijd wordt beweerd. Op een dag gaat ze naar haar bank en haar adviseur doet het volgende voorstel: “Mevrouw Schmidt, ik geef u een lening van 5.000 euro!”
“Waarom? Ik heb het niet nodig. Dat wil ik niet”, zegt mevrouw Schmidt.
“Als u deze lening neemt, mevrouw Schmidt, dan geef ik u daarbovenop nog eens 50 euro, zonder probleem. Die hoeft u niet terug te betalen!”
Zou mevrouw Schmidt dan het geld aannemen? Natuurlijk! Ze kan ook rekenen! Zelfs als zij niets doet, verdient ze nog steeds 50 euro. Maar wat als ze het geld investeert, bijvoorbeeld in onderwijs voor haar kleinkinderen, in aandelen, in iets, waarvan ze denkt, dat het de moeite waard zal zijn? Dat levert haar zelfs meer dan 50 euro op.

Deze mevrouw Schmidt is net als de Duitse staat. Alleen wijst de Duitse regering dergelijke aanbiedingen gewoonlijk af, uit principe. Duitsland zou nu geld kunnen lenen en daarvoor zelfs nog geld op toe krijgen. Maar dat doet het niet.

10. Als haar beleid tot zo veel problemen leidt en niets oplost, waarom wijzigt de bondsregering deze dan niet?
Wat ik hierboven beschrijf, wordt door veel, heel veel economen op deze manier gezien, maar niet door allemaal. Sommige beweren, dat Duitsland met zijn politiek gelijk heeft. De federale overheid zelf vergoelijkt het intussen voor de buitenwereld.

Uiteindelijk is het een politieke zaak. En dat is wellicht ook een belangrijk inzicht: economie is altijd politiek. Of een land moet ingrijpen in de economie of niet is een kwestie van politiek en ideologie. Men kan daar hoe dan ook geen “juiste” conclusie aan verbinden.

Drie dingen houdt de regering van Duitsland ervan af haar beleid te veranderen.

Allereerst: een principe.
Wie schulden maakt, moet ze ook terugbetalen. Ongeacht wat de kosten zijn. Dezelfde manier van denken zie je ook terug in het ‘schuldplafond’ dat de bondsstaat, de deelstaten en lokale overheden voorschrijft dat zij slechts in uitzonderingsgevallen nieuwe schulden mogen afsluiten. Dat is de reden waarom de Minister van Financiën, Wolfgang Schäuble, geen nieuwe schulden wil aangaan.

Ten tweede: de politiek van de feiten.
Schulden aangaan om daarmee andere eurolanden te helpen en zodoende op de middellange termijn ook weer het exportoverschot te verminderen, is een taboe voor de Duitse conservatieven. Het was de vermeende onrechtmatigheid van de reddingsoperatie van Griekenland, die het startschot gaf voor de oprichting van de AfD (Alternative für Deutschland). Ook veel leden van de CDU hebben slechts tandenknarsend met deze steun ingestemd. Met hen een volledig ander economisch beleid vorm geven, zou niet eenvoudig zijn, zelfs niet als dit nieuwe beleid ertoe zou bijdragen de EU te versterken – wat de van oudsher pro-Europese CDU onderschrijft.

Ten derde: een gevoel.
‘Economie’ is voor ons Duitsers meer dan een middel tot een doel. Het is de bron van onze trots. Als we veel exporteren, dan voelen we ons sterk. Als we weinig exporteren, voelen we ons zwak. Het economische wonder van de vijftiger jaren van de 20e eeuw is het fundament van deze republiek. Destijds hadden we dat, wat we tegenwoordig allemaal willen: welvaart voor iedereen. Die tijd was iconisch. Hij gaf ons houvast. Hij gaf ons antwoord op de vraag: wie ben jij? Wie Duitslands exportoverschot bekritiseert, bekritiseert ons. We nemen deze kritiek persoonlijk. Evenals het succes. Die schrijven we alleen onszelf toe, hoewel er heel veel andere redenen voor zijn, zoals blijkt uit deze tekst.

11. Als Duitsland iets zou veranderen: hoe zou Donald Trump dat vinden? Zou hij er tevreden mee zijn?
Als het ertoe zou leiden dat de onevenwichtigheden in Europa wijzigen, zou hij dat waarschijnlijk goed vinden. Maar omdat hij handel als een bokswedstrijd beschouwd, waarbij er maar plaats is voor één winnaar, zou hij het bij nader inzien toch een slecht idee vinden. De EU is immers nu al ‘s werelds grootste economie. Als Duitsland een beleidswijziging in zijn economische politiek zou doorvoeren, zou er binnenkort geen eurocrisis meer zijn.

De EU-lidstaten zouden dan de vrijheid hebben om weer dat te doen wat ze het beste kunnen: handel drijven. En daar houdt Donald Trump niet zo van. Dat heeft hij zelf gezegd: “Kijk, de Unie is deels opgericht om de handel van de Verenigde Staten te dwarsbomen, nietwaar? Het kan me dus niets schelen of ze uit elkaar valt of verenigd is, voor mij speelt dat geen rol.”

Oorspronkelijk verschenen als Donald Trumps Angriff auf Deutschland, verständlich erklärt geschreven door Rico Grimm, verslaggever bij het online tijdschrift Kraut, 10 februari 2017
Vertaald uit het Duits door: Florie Barnhoorn, juni 2017

“Wat in bovenstaand artikel staat, dat klopt allemaal,” zegt Leon Segers, “er is een groot betalingsbalansoverschot in Nederland en in Duitsland. De Europese Unie als geheel speelt ten opzichte van de rest van de wereld ongeveer quitte, dat wil zeggen wij, als Europa, exporteren ongeveer evenveel als we importeren.” In onderstaand stuk gaat hij dieper in op de situatie in Nederland en Europa.

exportoverschotVroeger waren nationale exportoverschotten of -tekorten direct op een betalingsbalans zichtbaar, want ieder land had zijn eigen valuta, legt Leon uit. Toen was er ook steeds sprake van exportoverschotten van Duitsland en Nederland en exporttekorten van de zuidelijke Europese landen. Maar omdat ieder land zijn eigen munt (valuta) had, werden die onevenwichtigheden periodiek gecorrigeerd door revaluatie en devaluatie van de munt. Daardoor werden de buitenlandse goederen duurder of goedkoper en via de marktwerking kwam er weer evenwicht op de betalingsbalansen. Per saldo steeg de welvaart in de overschotlanden relatief. Nu we met zijn allen de Euro hebben gaat dat niet meer … en dat is een (groot) probleem, zie Griekenland, Portugal, Frankrijk: allemaal hebben ze tekorten, ze komen in de schulden, moeten lenen. Vaak lenen ze ook nog bij de landen waar ze tekorten hebben, die via rentebetalingen dan nog hoger oplopen, enfin een grote bron van onevenwichtigheid op economisch gebied, binnen Europa, maar ook in de wereldeconomie als geheel. Lenen bij je leverancier kan wel, maar brengt je in een afhankelijkheidspositie. Straks neemt hij jou met je bedrijfje nog over. Snel aflossen is het parool.

Hoe een onvoorwaardelijk basisinkomen (OBi) deze onevenwichtigheden kan opheffen wil ik duidelijk maken aan de hand van een heel alledaags voorbeeld, zegt Leon. Nu verdient de Nederlandse vrachtwagenchauffeur een bepaald nettoloon, dat hoger is dan dat van zijn Poolse collega en concurrent. De Poolse chauffeur “doet het voor veel minder”, want in Polen is de koopkracht van het ‘Nederlandse’ loon (veel) groter dan in Nederland, omdat de kosten van levensonderhoud in Polen veel lager zijn (overigens vindt Agnes Jongerius, oud-vakbondsbestuurder en momenteel Europarlementariër namens de PvdA, dat gelijk werk gelijk moet worden betaald binnen Europa of het nou door een Pool of door een Nederlander wordt uitgevoerd … Volgens Segers zal deze regel niet werken).

Stel dat in Polen en in Nederland een onvoorwaardelijk basisinkomen wordt ingevoerd, vervolgt Leon, in Polen ontvangt iedere burger 5.000 euro en in Nederland 12.000 euro. Die bedragen zullen ongelijk zijn, omdat de kosten voor levensonderhoud in Nederland veel hoger zijn dan in Polen. Poolse en Nederlandse vrachtwagenchauffeurs concurreren vervolgens met hun loon, hun overige inkomen, dat ze van hun werkgever krijgen, op een ‘gelijk speelveld’. Hun lonen kunnen even hoog zijn omdat hun bestaanszekerheid in eigen land gewaarborgd is, hun werkgever zal dan ongeveer gelijke lonen (kunnen) betalen en de onvrede over de (oneerlijke) concurrentie door de Polen is van de baan.

Deze onvrede heerst al lang in de transportsector. Met een OBi zou er echter automatisch een gelijk speelveld ontstaan, zodat de concurrentie ‘eerlijker’ zou zijn. Segers wijst erop dat de ongelijkheid die nu tussen internationale vrachtwagenchauffeurs bestaat en voor iedereen duidelijk is, natuurlijk ook (maar meer verborgen) aanwezig is op andere gebieden: de rijke landen hebben een concurrentienadeel op de arbeidsmarkt, omdat hun kosten van levensonderhoud veel hoger zijn. Variatie in de hoogte van de OBi’s in de diverse landen kan deze “concurrentie-vervalsingen” uitvlakken en vervolgens via periodieke bijstelling van die OBi’s werken zoals vroeger de valutakoers fungeerde, zodoende kan er weer evenwicht komen in de (arbeids) markten overal ter wereld.

Volgens Leon Segers speelt in de globale economie eenzelfde soort onevenwichtigheid, die feitelijk zijn oorzaak vindt in de welvaartsverschillen, die zich dus vertalen in arbeidskostenverschillen in de wereld. De Chinezen zijn (mede door hun welvaartsachterstand) de goedkoopste arbeidskrachten in de wereld en China is dan ook veranderd in de “werkplaats” van de wereld. Geen enkel land kan opboksen tegen de lage Chinese lonen (lees: de lage kosten van levensonderhoud …). Daarom heeft China ook een enorm betalingsbalansoverschot opgebouwd ten opzichte van bijvoorbeeld de USA.

exportoverschot Stel je nu eens voor dat de Amerikanen een OBi hadden van 10.000 euro en de Chinezen een van 1.000 per jaar, dan zouden de Amerikaanse loonkosten een stuk lager (kunnen) zijn en min of meer concurrerend met de Chinese (en zou Trump zijn zin krijgen, want de productie zou dan door de lagere loonkosten, terugkomen naar Amerika).

Wat de Duitsers betreft, zij zijn technologisch natuurlijk heel sterk, maar op het gebied van de loonkosten hebben zij middels de Hartz-wetten (Agenda 2010 of ‘Agenda zwanzig-zehn’ van de Rood-Groen Duitse regering van 2003-2005), een jaar of 15 geleden flinke verlagingen geforceerd, waardoor zij de Fransen en de Italianen uit de markt hebben geprijsd; zij hebben via “Hartz” een forse onderlaag van werkelozen en andere armen geschapen die nu als het ware de “kosten” van de Duitse economie (relatief) opbrengen, doordat zij ‘uitgeknepen’ en (weg) bezuinigd zijn. In Nederland hebben we de laatste 10 jaar hetzelfde gezien, dit in tegenstelling tot Frankrijk en Italië. Dat alles zorgt nu voor een groot Duits (en Nederlands) handelsoverschot, ook en met name ten opzichte van de USA. Naast hun technologische achterstand ten opzichte van Duitsland, zouden de Amerikanen gezien hun (gemiddelde) levensstandaard ook een hoger OBi moeten hebben dan de Duitsers, waardoor ook hun loonkostenpositie gunstiger zou worden.

Kort samengevat, aldus Segers, kun je dus zeggen dat de invoering van een basisinkomen op wereldschaal, door de uitschakeling van het verschil in de kosten van levensonderhoud bij de loonkosten voor bedrijven, zorgt voor het gelijktrekken van de vloer in het loongebouw. Het onvoorwaardelijk basisinkomen zou het speelveld gelijk maken. De samenstelling van de loonkosten zou ook een punt van gesprek moeten zijn, vindt hij. Op de lonen (inkomens) in Nederland en ook in Duitsland zitten natuurlijk forse belastingen, samen met de sociale lasten bedragen die in Nederland wel ongeveer 80%. Die omstandigheid verslechtert de beschreven onevenwichtigheid, zeker op wereldschaal nog eens extra. Hij pleit daarom ook voor verschuiving van de belastingen, van de lonen naar (vervuilende) grondstoffen, zodat het verbruik van de (schaarse) grondstoffen duurder wordt en de betreffende producten dus ook duurder. Met andere woorden, de invoering van een basisinkomen, maakt via de werking op de loonkosten de betalingsbalansen evenwichtiger en middels de aanpassingen van de basisinkomens ontstaat zelfs een evenwichtsbrengend mechanisme voor de betalingsbalansen.

Leon Segers, juli 2017

Foto’s: Flickr.com CC Tristan Taussac; Curtis Perry; Gravitat-Off; Ars Electronica; Andrela; -drik S; DonkeyHotey.