Basisinkomen opent nieuwe horizonten

Basisinkomen opent nieuwe horizonten.

Een basisinkomen opent nieuwe horizonten.

Een sociale innovatie: het basisinkomen
Voor sommigen zou er bijna niets veranderen, voor anderen bijna alles. Een Aldi verkoopster, een bestseller-auteur, een ondernemer, een bijstandsgerechtigde, het hoofd van de Berlijnse vestiging van een overheidsdienst vergelijkbaar met de Sociale Dienst in Nederland en een software-ontwikkelaar vertellen wat een basisinkomen voor hen zou betekenen.

“Als je er realistisch naar kijkt – en niemand zal er aan twijfelen dat iedereen recht heeft op een bestaan – dan moet het. Je zou het een kans moeten geven.”

Robert Musil

Bij een algemeen basisinkomen zal iedere burger een maandelijks inkomen van de overheid krijgen dat bestaanszekerheid biedt op een bescheiden niveau. Het door belastinggeld gefinancierde basisinkomen zal niet afhankelijk zijn van iemands sociale omstandigheden, het zal niet worden verrekend met inkomen of vermogen en zal alle andere overheidsuitkeringen van kinderbijslag en werkloosheidsuitkeringen tot toeslagen en pensioenen vervangen. Door de invoering van een basisinkomen zou werkloosheid geen nachtmerrie meer zijn, maar een optie. Minder geld betekent meer vrije tijd. Het zou het einde van de angst betekenen.

Want superieuren zullen voortaan beter om gaan met hun mensen, vooral met hen die weinig verdienen – die kunnen namelijk gewoon thuis blijven. De zin “Het is een klote baan, maar ja, wat kan ik er aan doen, ik heb geld nodig,” zal alleen nog in historische films te horen zijn. Net als slecht gehumeurde mensen, die een dergelijke uitspraak niet doen, maar wel uitstralen dat ze een hekel aan hun werk hebben en niet de minste reden zien om het goed te doen. En ambtenaren bij uitkeringsinstanties die nu betaald worden om hun medemensen, die bij hen komen voor financiële of andere hulp, te beoordelen, te controleren of straffen uit te delen door uitkeringen te korten of stop te zetten, kunnen een nieuwe baan zoeken.

Tegenwoordig ziet de wereld er nog anders uit
Klaus S., die in werkelijkheid anders heet, is niet per definitie ongelukkig. Hij gaat alleen tamelijk vaak, tamelijk ongelukkig naar zijn werk. Klaus S., een vriendelijke, zakelijk ogende, begin veertiger met een bril zonder montuur, wil niet met zijn echte naam in dit artikel. Hoe hij over zijn werk denkt, zal zijn baas waarschijnlijk niet bevallen. Klaus S. is wiskundige, hij werkt sinds zes jaar bij een telecommunicatiebedrijf op de afdeling die software ontwikkelt. “Ik vind dat ik niet vaak met voldoende respect behandeld wordt door mijn meerderen die mij instructies behoren te geven. Dan zou ik graag weg gaan. Ik heb altijd het gevoel dat ik als een pion heen en weer geschoven wordt, van de ene taak naar de andere.” Het klinkt niet als een ramp, wat Klaus S. over zijn leven vertelt. Het klinkt meer alsof hij zich probeert te herinneren op welk moment in zijn carrière hij zich volkomen nutteloos begon te voelen. Het klinkt als een gesprek dat veel mensen met zichzelf voeren voor wie het beste deel van de werkdag de vrije avond is. En voor wie de beste typering van hun baan het gebrek aan alternatieven is. “Ik ben regelmatig bang dat de softwareapplicaties die ik ontwikkel tot problemen bij klanten leiden waarvan ik dan ook de dupe word. Ik word regelmatig wakker met een misselijk gevoel in mijn maag als de druk in mijn baan zo groot is. Dat ik met mijn opleiding als zij-instromer niet helemaal aan de eisen van het functieprofiel voldoe, maakt het niet gemakkelijker. Er zijn gewoon niet zo veel banen voor wiskundigen. Ik kan mijn opleiding niet echt goed gebruiken.”

Misschien zijn woorden als pragmatisme of realiteitsgehalte soms slechts andere woorden voor berusting.

Sommige mensen willen geen hangmat, maar vrijheid. Een basisinkomen van 800 euro zou Klaus S. niet in een aards paradijs doen belanden – hij verdient nu bruto het viervoudige. Maar het zou hem kunnen geven wat hij nu het meeste mist: lucht. “Ik zou proberen om met mijn werkgever te praten over een werkweek van 20 uur. Dat is nu financieel gewoon niet mogelijk. Ik heb tijd nodig om na te denken over hoe ik verder wil. Daarvoor heb ik op dit moment de middelen niet.

Grafentheorie

Grafentheorie

Alleen al de wetenschap, dat het in principe mogelijk zou zijn om een pauze in te lassen om mij aan mijn liefhebberijen te wijden, zou een grote opluchting zijn.” Het extra geld dat hij nu over heeft voor consumptie vindt hij niet belangrijk. Ook is het geen kwestie van laksheid of slapheid. Klaus S. wil niet minder werken, maar anders. “Ik wil graag weer wiskundig onderzoek doen en mijn proefschrift schrijven. Ik wil eindelijk doen, wat ik echt kan. Wat mij interesseert zijn de grensgebieden tussen wiskunde en informatica, grafentheorie bijvoorbeeld. Dat is fundamenteel onderzoek en wellicht heeft de maatschappij er op zeker moment ook wat aan. Bovendien zou het werk in het bedrijf na een dergelijke onderbreking weer leuker zijn.”

Een oude droom verwezenlijken
Ulrike Welschlau heeft er geen probleem mee om met haar naam genoemd te worden in dit artikel. Ze is praktijkassistente bij een kinderarts in Berlijn en houdt van haar werk. Een basisinkomen zou haar in de gelegenheid stellen om een oude droom te verwezenlijken. Naast een parttime baan een eigen praktijk als genezer beginnen. “Nu is het risico is groot.”

Degenen die geloven dat een basisinkomen de in talkshows zo graag aangehaalde ‘sociale hangmatten’ gemakkelijker maakt en de prikkel om te gaan werken wegneemt, moeten goed naar Ulrike Welschlau en Klaus S. luisteren. Wat ze willen is niet passiviteit, maar het tegenovergestelde: zij willen zelf de regie voeren over hun leven – wat niet noodzakelijkerwijze samenvalt met het doen van betaalde arbeid.

De discussie over een basisinkomen opent horizonten die verder gaan dan de traditionele werkgelegenheidsmodellen en klassieke arbeidsverhoudingen. Voor de niet-betaalde, misschien na veel omwegen economisch relevante kennisarbeid van de wiskundige Klaus S. bijvoorbeeld, of voor een nu niet financieel haalbare praktijk als genezer en voor andere experimenten, zoals de verzorging van familieleden of om meer tijd door te brengen met de eigen kinderen.

Claus Offe “We zijn het zogezegd ‘institutioneel’ vergeten om ons anders dan door arbeid voor loon nuttig te maken en waardering te krijgen”, zegt de socioloog Claus Offe. De emeritus-hoogleraar van de Berlijnse Humboldt Universiteit is één van de Duitse denkers over modellen voor het basisinkomen. Zijn stelling: “De geïnstitutionaliseerde modellen die ten grondslag liggen aan onze moderne samenleving, waarbij arbeid wordt uitgeruild tegen inkomsten, blijven in gebreke, zij zouden in gelijke mate, zoals dat bij bedrijfsmatige arbeid het geval is, toegelaten moeten worden om sociaal te handelen en zich daarbij als onafhankelijk rechtspersoon te presenteren.”

Voor Offe spreekt dit tekort niet tegen maar juist voor een basisinkomen: arbeid buiten de verdieneconomie zou op een bescheiden niveau financieel veilig gesteld zijn en heeft daarmee een betere kans op erkenning. Juist dit aspect zal met het oog op de ‘erosie van de normale arbeidsvoorwaarden’ (Ulrich Beck) voor veel mensen steeds belangrijker worden.

Volledige werkgelegenheid in Duitsland is een sprookje
“Het moet duidelijk zijn dat een bepaald deel van de werklozen momenteel geen schijn van kans heeft om een normale plek op de arbeidsmarkt te vinden”, zegt Ramona Schröder, een gepromoveerde econome. In het sprookje dat in Duitsland in de nabije toekomst volledige werkgelegenheid zal bestaan, gelooft ze – net als andere realisten – niet. En omdat zij geen politicus is, maar een arbeidsmarktdeskundige, kan ze dat ook zeggen.

Job Center Berlin-Mitte

Job Center Berlin-Mitte

Het is Ramona Schröder’s werk om zo veel mogelijk mensen naar werk te begeleiden. Ze runt de plaatselijke vestiging van de Sociale Dienst in Berlin-Mitte. Haar instantie is verantwoordelijk voor een miljoen burgers, van wie 125.000 werkloos zijn, waarvan meer dan de helft langdurig werkloos. “Aan het begin van het jaar hebben we hier bij ons op de vestiging het werklozenbestand in kaart gebracht. We wilden weten waar de werklozen zich bevinden, wie er bemiddelbaar zijn, wie behoefte hebben aan ondersteuning en hoe groot de groep is waarbij het relatief moeilijk zal zijn om de integratie op de arbeidsmarkt te realiseren. We gaan na hoe we onze beperkte middelen – geld, consultancy diensten, opleidingsmogelijkheden – het beste kunnen inzetten.

Dit is een nieuwe stap in de ontwikkeling van de arbeidsmarkt-bureaucratie. Ook na zoveel dure werkgelegenheidsmaatregelen, omscholingen en gearrangeerde één-euro-banen kan de hardnekkige kernwerkloosheid niet weggewerkt worden. Schröder: “Er is een groep waarbij het arbeidsmarktprobleem een sociaal probleem wordt. We hebben in Duitsland gedurende langere tijd sociaal beleid bedreven met politieke instrumenten die gericht waren op de arbeidsmarkt. Dat moet opnieuw bijgesteld worden, anders lopen deze systemen het gevaar te bezwijken.” Schröder zit in haar kleine, onpersoonlijke kantoor vlakbij de Friedrichstrasse en analyseert de situatie. Haar werk: het managen van schaarste en schadebeperking. Het gebrek aan interessante vacatures kan zij niet verhelpen. Het idee van een basisinkomen zonder voorwaarden vindt Schröder desondanks een dwaling. Geen wonder, daarmee zou haar instantie met inbegrip van haar eigen kantoor overbodig zijn. Toch is het nog steeds de moeite waard om naar Ramona Schröder te luisteren: ze kent de aan de liefdevolle bevoogding van de verzorgingsstaat toevertrouwde klantenkring.

Eigen verantwoordelijkheid overweldigt sommige mensen. “Nu direct een basisinkomen invoeren is in mijn ogen een nachtmerrie-scenario. Dat zou een te grote schok geven,” vermoedt ze. “Mensen zijn er aan gewend geraakt om door de overheid gestimuleerd te worden en uitkeringen te krijgen. Met het model van een basisinkomen is het individu volledig aan zichzelf over gelaten. Dat loopt snel spaak omdat aan veel betrokkenen te hoge eisen gesteld worden. Het is eerder een cultureel dan een economisch probleem. Wij hebben de ervaring dat veel klanten naar ons toe komen en zeggen: u moet mij bemiddelen. Dat is de opstelling: afwachtend. Maar we kunnen mensen alleen helpen om hun leven in eigen hand te nemen. Of mensen, als de situatie anders zou zijn, meer zelfstandigheid zullen leren, weet ik niet.” Claus Offe noemt de mechanismen van deze aangeleerde onmondigheid ‘passivisering’ en ‘clientèlisering’. Van deze kwalijke gevolgen zijn ook mensen het slachtoffer die het tegenovergestelde wensen van een door de staat georganiseerde betutteling. Nadia Bentz, bijvoorbeeld.

Slachtoffer van door de staat georganiseerde betutteling
Sinds twee en een half jaar is de 37-jarige niet in staat om te werken – ziek is ze al haar halve leven. In 1988 moest een deel van een long verwijderd worden, de rest van de long is ook niet meer helemaal gezond. Sindsdien staat in haar paspoort dat ze voor 80 procent gehandicapt is. Je ziet Nadia Bentz haar ziekte niet aan: een grote, zeer open en levendige vrouw die hardnekkig vecht voor een zo zelfstandig mogelijk leven. Ze heeft literatuurwetenschappen gestudeerd, met succes een kleine uitgeverij opgericht en meerdere jaren als freelance copywriter bij een reclamebureau in Berlijn gewerkt. Maar in 2003 werd zij zo ziek, dat niets meer ging.

Sindsdien is zij aangewezen op overschrijvingen van de Duitse Bond voor Pensioenverzekeringen en de Sociale Dienst. Ze leeft van pensioen en door de staat verstrekte hulpmiddelen voor het levensonderhoud: 345 euro per maand, plus huurtoeslag, voor haar ziektekostenverzekering staat de Sociale Dienst garant. Een leven op Hartz IV-niveau. “Hoewel het veel papierwerk is en veel geloop ben ik dankbaar en blij dat er een dergelijke ondersteuning in Duitsland is”, zegt een ontspannen Nadja Bentz op een zonnige zondagmiddag in Berlijn. “Ik heb nu een leuke, kleine woning, met het geld kom ik redelijk uit.” Het probleem is niet het geld – de eigenaardigheden van de bureaucratie zijn het probleem. Bijvoorbeeld als verschillende delen van het systeem langs elkaar heen werken. Zoals aan het begin van het jaar toen de gemeenten uitkeringsgerechtigden arbeidsgeschikt verklaarden, zodat het UWV in plaats van de gemeentelijke sociale diensten voor de kosten opdraaiden. Pech voor Nadia Bentz: Voor de computer was ze plotseling gezond en in staat om te werken. In januari bleven de overschrijvingen uit.

“Bij de Sociale Dienst was in een grote ruimte een tijdelijk kantoor ingericht voor diegenen die niet konden werken en die voor hun levensonderhoud op bijstand aangewezen zijn. De openingstijden waren kort, ik geloof twee keer per week. Daar stonden dan 150 oude, zieke, zwakke mensen urenlang te wachten op hun geld. Velen begrepen helemaal niet hoe de procedure werkte. Zij wisten alleen dat ze geen betalingen meer ontvingen. Je kreeg een formulier en kon het geld contant ophalen bij een kantoor aan de andere kant van de stad. Allemaal omdat de kantoren door de omschakeling naar Hartz IV overbelast waren.”

Hartz-Empfänger-sollen-weniger-Fleisch-essen Nadja Bentz en enkele duizenden anderen zijn het slachtoffer geworden van het wanbeheer van een slecht functionerend administratief systeem. “Je blijft achter met het gevoel, dat zoiets iedere keer weer opnieuw kan gebeuren.” Ondertussen maakt ze brieven van het kantoor, die altijd op vrijdag in haar postvakje liggen, pas op maandag open. Zodat ze in geval van nood direct kan opbellen en navraag kan doen en niet drie dagen in angst hoeft te zitten.

“Van het idee van een basisinkomen zonder bureaucratische rompslomp krijg ik natuurlijk pretlichtjes in mijn ogen”, zegt Bentz. “Je wordt eindeloos van het kastje naar de muur gestuurd omdat een casemanager nog iets bedacht heeft. Met elke gang naar het kantoor moet je voor je waardigheid vechten. Je bent voortdurend in de weer om dingen recht te zetten omdat iemand zegt: Wilt u nog een keer uw rekeningafschriften laten zien, en wilt u ons nog een keer die kopie en dat bewijsstuk geven, en waarom hebt u daar niet eerder aan gedacht, dat had u toch veel eerder moeten indienen, en deze kopie kunnen we niet vinden in het archief, wilt u hem nog een keer langs brengen?”

Nadja Bentz is niet sentimenteel. Ze beschrijft alleen wat ze de afgelopen jaren ervaren heeft. Terwijl je naar haar luistert, vraag je je af, waarom uitkeringsgerechtigden niet vaker amok maken in de kantoren. “Een wachttijd van twee tot zes uur is niet ongebruikelijk. Dat geldt voor zieken en zwakken net zo goed als voor alle anderen. De casemanagers zijn overbelast en hebben veel te veel klanten die ze moeten helpen. Het kan ook gebeuren dat een ambtenaar zijn of haar positie misbruikt. Niemand kon mij bijvoorbeeld beschermen, toen een ambtenaar beweerde dat documenten niet waren aangekomen. En dan blijven de betalingen uit. Zonder financiële reserves of familieleden en vrienden die je ondersteunen is zo’n situatie heel bedreigend.”

Nieuwe banen bij een basisinkomen
Aan de andere kant staan mensen zoals de Berlijnse ondernemer Valentin Benz, die heel goed verdient en met zijn belastingen de verzorgingsstaat financiert. De 29-jarige zegt: “Voor mij als individu zal een basisinkomen nauwelijks iets veranderen. Waarschijnlijk zal ik meer belasting moeten betalen. Uiteindelijk zou ik er financieel niets bij winnen of verliezen. Ik ben er echter principieel voor om iets bij te dragen aan de instandhouding van de sociale cohesie. Ik benijd niemand die van 800 euro moet leven.” Benz’ bedrijf Conecta houdt zich bezig met onroerend goed beheer en onderhoud van appartement complexen, juridisch, technisch, economisch, van eenvoudige huurwoningen tot villaparken met een eigen veiligheidsdienst. Met 2.500 eenheden onder beheer zet Conecta 6,1 miljoen euro per jaar om. Voor de CEO van Conecta zou een basisinkomen, gefinancierd door belastinggeld, een opluchting zijn. “Ons bedrijf verliest geld en arbeidstijd, omdat een deel van de huurders er met de sociale bureaucratie niet uitkomt”, zegt Benz.

“Er zijn altijd werkloze huurders wie het boven de pet gaat, wat kan leiden tot verlies aan huurinkomsten. Mensen weten soms helemaal niet waar ze recht op hebben, ze vullen aanvragen verkeerd of helemaal niet in. Een aantal van onze medewerkers gaat naar de huurders, bekijkt de stukken en praat dan zelf met de ambtenaar in het stadsdeelkantoor. Uiteindelijk is dat menselijker en ook efficiënter dan een uitzettingsprocedure beginnen.” De ondernemer ziet bij een basisinkomen nieuwe banen. Benz’ conclusie: “Dit probleem zou verdwijnen met het basisinkomen.” En het zou zijn zoektocht naar geschikte medewerkers vergemakkelijken, niet alleen omdat hij de werkgeversbijdrage aan de werkloosheidsverzekering kan uitsparen. “We hebben veel sollicitanten, bijvoorbeeld voor banen als conciërge, die helemaal niet willen werken. Die solliciteren alleen omdat de Sociale Dienst dat van hen verlangt. We hebben een geval gehad met een technicus. Die heeft echt alles gedaan om ontslag te krijgen van ons. Dat kost tijd en zenuwen.”

Waarvan arbeidsmarktdeskundigen dromen en wat politici met dure subsidies te voorschijn willen toveren, houdt Benz in zijn bedrijf voor mogelijk: nieuwe banen. “Ik kan mij veel servicewerk tegen het minimumloon voorstellen, dat nu onbetaalbaar is. Bijvoorbeeld, dat er op een wooncomplex gedurende de dag iemand aanwezig is die geleverde pakketten in ontvangst neemt, iemand die voor jongeren tijdens lunchtijd een maaltijd organiseert, of een boodschappenservice, of planten en huisdieren verzorgt bij langere afwezigheid. Met een basisinkomen dat niet wordt verrekend met inkomsten uit arbeid, zou werk voor een minimumloon in ieder geval aantrekkelijker zijn voor ons en voor toekomstige medewerkers dan nu.” Dat is de gewenste toestand. De huidige situatie ziet er helaas anders uit. Valentin Benz: “Er solliciteren vaak mensen bij ons die werkelijk graag willen werken en toch komen we er samen niet uit, omdat de grenzen waarbinnen ze naast een werkloosheidsuitkering kunnen bijverdienen, te nauw zijn.”

Niet alle werkgevers staan zo sympathiek tegenover een basisinkomen als Benz. De machtsverhoudingen binnen een bedrijf zouden gaan schuiven, als werkloosheid zijn schrikbeeld verliest. “Het gevolg zou zijn dat op de arbeidsmarkt de kern van alle vrijheid, namelijk de vrijheid om nee te zeggen, tot zijn recht zou komen”, zegt sociaal-wetenschapper Claus Offe.

Nee zeggen tegen slechte arbeidsvoorwaarden
Nee zeggen, bijvoorbeeld tegen arbeidsvoorwaarden, waarover Katja F. vertelt over haar werk bij discounter Aldi. Ook Katja F. heet in werkelijkheid anders. Zou zij in dit artikel met haar echte naam verschijnen, dan had zij waarschijnlijk snel haar ontslag in de brievenbus. Katja F., begin 40, werkt bijna 20 jaar bij Aldi. De verkoopster en kassamedewerkster verdient 1953 euro bruto bij een fulltime dienstbetrekking. Wat zij over haar dagelijkse routine zegt, klinkt niet erg plezierig.

“De dag begint ermee dat ik in de ochtendploeg om 7:20 uur moet verschijnen, officieel begint de werktijd pas om 7:50 uur. Dit halve uur wordt als zogenaamd voorbereidend werk beschouwd, het is echter onbetaald overwerk. We moeten ‘s morgens vakken vullen. Na sluitingstijd moeten we weer ongeveer een half uur langer werken: de officiële sluitingstijd is om 20.10 uur, maar er zijn collega’s, die pas om 21.00 uur of later weg kunnen gaan. Die moeten na werktijd opruimen, het resultaat van de dag opmaken, de volgende dag voor bereiden. Filiaalmanagers hebben vaak werkdagen van 6 tot 22 uur. En degene die weigert om gratis te werken wordt gepest en lastig gevallen.”

Met financiële vrijheid sterft de cultuur van angst. Katja F., een zeer nuchtere, rustige, werkende vrouw, vertelt dat ze uitgebreide machtsspelletjes meegemaakt heeft. “Je wordt naar ver weg gelegen filialen gestuurd, zodat je een lange reistijd hebt. Je wordt voortdurend getest op omkoopbaarheid en geconfronteerd met kascontroles, of je wordt steeds naar het kantoor geroepen en door de winkelmanager of districtsmanager afgesnauwd: ‘U bent de allerlaatste, wat verbeeldt u zich, u hebt helemaal geen zin meer om te werken, we zullen je eruit gooien …’. Dat het erom gaat dat je onbetaald moet overwerken of dat je moet ophouden met jezelf te verdedigen, wordt nooit openlijk gezegd.”

Aldi logo süd Wat Katja F. vertelt, klinkt als personeelsbeleid door een schrikbewind, net op het randje van legaliteit. “Bij de scannerkassa wordt gemeten hoe snel we werken. Dit wordt ook gebruikt om mensen tegen elkaar uit te spelen: ‘Mevrouw Müller is sneller dan u, waarom bent u zo lui?’ De angst wordt door je meerderen aangewakkerd om kosten te drukken. Maar de filiaal- en districtsmanagers staan net zo onder druk als de verkoopsters.” Als medewerkers alleen nog maar als kostenpost of als menselijke robots behandeld worden, is het vooral belangrijk om uitval te voorkomen. Bijvoorbeeld door ziekten principieel als vervelende storingen of als een foute mentaliteit van de medewerker te bestempelen. Katja F.: “Ik was langere tijd ziek, omdat ik niet meer tegen de druk in het bedrijf kon. Als je ziek bent, komen de leidinggevenden op ziekenbezoek. Mijn vriend heeft toen de districtsmanager de toegang tot ons appartement geweigerd. Daarop heeft Aldi mij de loondoorbetaling bij ziekte niet uitbetaald. Ik moest het geld terugvorderen.”

Een basisinkomen zou voor Katja F. het begin van een nieuw leven kunnen betekenen. Haar werkgever kan de angstcultuur niet in stand houden als hij zijn werknemers wil houden. En Katja F. zou ineens het gevoel hebben dat haar leven niet alleen in het weekend en tijdens vakanties van haarzelf is. “Ik zou zeker minder gaan werken. Ik zou graag aan een Volkshogeschool talen leren, iets waarmee ik mij kan ontwikkelen. Daarvoor ben ik nu na het werk te uitgeput”, zegt ze spelend met de gedachte aan een basisinkomen. Bovendien kan je je beter verdedigen als je minder bang bent om werkloos te worden. Als ik nu werkloos wordt, dan zou ik geen werkloosheidsuitkering krijgen, omdat mijn vriend een baan heeft en we een gezamenlijke huishouding hebben. Dat kunnen we ons niet veroorloven.”

Maar zal het einde van de angst leiden tot de onvriendelijkheid van de DDR?
Thomas Brussig bevindt zich duidelijk in een veel prettiger situatie. Sinds zijn bestseller Heroes Like Us, doet de schrijver in principe alleen waar hij zin in heeft. Bijvoorbeeld het schrijven van onderhoudende romans en scenario’s, die vervolgens regelmatig tot groot succes leiden, zoals Leander Haussmann’s charmante Brussig-verfilming Sun Alley. Vragen over zijn financiële omstandigheden beantwoordt Brussig alleen maar met een goed geluimde afleidingsmanoeuvre: “Het eerste miljoen is zoals bekend het moeilijkste. Met de invoering van de euro is het dubbel zo moeilijk.” Het basisinkomen beziet hij welwillend: “Mijn leven zou eigenlijk niet veranderen. Ik moet waarschijnlijk meer belasting betalen. Als ik geluk heb, weegt het basisinkomen daar tegen op. De vraag is of de huishoudster in Berlijn en de conciërge in mijn huis in Brandenburg zin hebben om te blijven werken. Ik heb geen bestaansonzekerheid, dus een basisinkomen kan mij ook geen angst inboezemen. Ik heb de afgelopen jaren zo geleefd dat ik een financiële buffer aan kon leggen, voor het geval ik van de ene dag op de andere zonder ideeën zou komen te zitten.”

Brussig groeide op in de DDR en haatte de staat die alles regelde en controleerde. Thomas-Brussig Geen wonder dat hij wantrouwig reageert op een door de overheid gegarandeerd onderhoudspakket. “Het burgergeld is een stap in de richting van de DDR. Daar was je ook automatisch geheel verzorgd, zoiets als onzekerheid om je dagelijks bestaan bestond niet. Met als gevolg dat verkoopsters hun klanten zeer onvriendelijk bejegenden, dat het normaal was om tipsy te zijn en te laat te komen en dat veel eenvoudigweg niet functioneerde. Desondanks ben ik nog steeds meer voor dan tegen een burgerinkomen. Des te minder bureaucraten beslissen des te beter.”

Misschien heeft Brussig gelijk. Misschien werkt het kapitalisme alleen als mensen bang zijn voor de sociale afgrond. Misschien is het idee van een basisinkomen ook een illusie. Net als de mantra van volledige werkgelegenheid. Of de bewering dat de traditionele stelsels van sociale zekerheid niet zullen instorten. Of de veronderstelling dat de sociale kloof in de samenleving alleen een probleem is voor mensen die afgesloten zijn van een comfortabel bestaan. Nadja Bentz en Klaus S., Valentin Benz en Katja F. weten niet of een basisinkomen het beste zou zijn voor de maatschappij. Ze weten alleen dat het goed zou zijn voor hun eigen leven. Dat bewijst niets. Hoogstens, dat alles beter is dan de stelling dat de huidige toestand geen alternatief kent.

brand-eins-basisinkomen-opent-nieuwe-horizonten Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het Duitstalige online tijdschrift Brand Eins in de serie ‘Sociale Innovatie’. Ieder nummer van Brand Eins heeft een bepaald Leitmotiv. Het thema van de maand januari 2006 was: Complexiteit.

Hoewel de originele reportage al in januari 2006 verscheen en de interviews met inwoners van Berlijn werden gehouden, lijkt de inhoud nog steeds actueel ook voor de Nederlandse situatie.

Originele tekst: Peter Laudenbach
Uit het Duits vertaald door:  © Florie Barnhoorn, september 2013

Geef een reactie