Waarom verdedigen de vakbonden het onvoorwaardelijk basisinkomen niet (Dat zouden ze juist wel moeten doen)?

vakbonden-protest
[Het debat] over het ogenschijnlijk eenvoudige idee van een universeel, onvoorwaardelijk basisinkomen is erg ingewikkeld geworden. Hoe meer het idee wint aan populariteit, hoe meer verwarring er over is. Hoewel tenminste iets duidelijk geworden is. Eén van de belangrijkste oorzaken van de warboel is dat, naast vijanden, het zowel op links àls op rechts aanhangers heeft. Dit wordt ook erkend in het rapport met de titel “Artificial Intelligence, Automation, and the Economy” (Kunstmatige intelligentie, automatisering, en de economie), dat in December 2016 door het Uitvoerend Bureau van de President (VS) werd gepubliceerd. Ondanks de bedenkingen die het tegen het universeel basisinkomen (UBI) – zoals het ook genoemd wordt – formuleert, stelt het dat, “… de exacte contouren van verschillende UBI modellen variëren. Het idee is bij rechts naar voren gebracht door Charles Murray (2006) en bij links door Andy Stern en Lee Kravitz (2016) … De motivering achter de verschillende modellen loopt uiteen […].”

Een basisinkomen, dat op de juiste manier wordt gedefinieerd en ingevoerd, kan enorme positieve gevolgen hebben, niet in de laatste plaats door armoede definitief uit te bannen. Het moet serieus overwogen worden, duidelijk omschreven en op weldoordachte gronden verdedigd. Om tot de kern van de zaak door te dringen is het nodig om twee vragen te stellen en te beantwoorden: een normatieve en een praktische. Is het rechtvaardig? Is het te betalen?

De definitie waaraan wij de voorkeur geven (met elementen van Thomas Paine‘s idee voor een nationaal fonds waarbij ieder individu vanaf de leeftijd van eenentwintig jaar “een gedeeltelijke compensatie [zal ontvangen] voor het verlies van zijn of haar natuurlijke erfenis door de invoering van het systeem van grondbezit”) belichaamt het idee van republikeinse rechtvaardigheid. De definitie is overgenomen van de Universal Declaration of Emerging Human Rights [1], artikel 1, lid 3, welke tijdens het tweede Universal Forum of Cultures in 2007 in Monterrey is aangenomen en ondertekend.

Het basisinkomen is een betaling

… die ieder individu, ongeacht leeftijd, geslacht, seksuele geaardheid, burgerlijke staat of arbeidssituatie, het recht garandeert om in waardige materiële omstandigheden te leven. Daartoe wordt het recht op een onvoorwaardelijk, regelmatig, geldelijk inkomen, betaald door de staat en gefinancierd door fiscale hervormingen, erkend als een recht van burgerschap, aan elk inwonend lid van een samenleving, onafhankelijk van andere bronnen van inkomsten, en voldoende om zijn of haar eerste levensbehoeften te dekken.

De haalbaarheid van de financiering van een basisinkomen is in uitgebreide studies naar progressieve belastinghervormingen aangetoond voor Catalonië, Spanje en elders, waarbij ongeveer 80 procent van de bevolking er op vooruit bleek te gaan, maar de rijkste 20 procent zou inleveren. Een dergelijke herverdeling van rijkdom zou het tegenovergestelde zijn van wat er de afgelopen decennia is gebeurd.

In veel vakbonden is het basisinkomen niet erg goed ontvangen door de leiding en leden. Deze terughoudendheid legt meerdere ernstige misvattingen over het basisinkomen bloot. Natuurlijk zijn er ook heel wat waardevolle uitzonderingen zoals Unite in Groot-Brittannië, bestuurders van de AFL-CIO in de Verenigde Staten, sommige groepen en militanten van de Spaanse vakbonden CCOO en CGT, en de Baskische Ezker Sindikalaren Konbergentzi. De bezwaren van de vakbonden zijn hoofdzakelijk gebaseerd op zes argumenten, die we hieronder met onze reacties zullen samenvatten.

Ten eerste: het basisinkomen zou de macht van de vakbonden ondermijnen en zijn vermogen voor collectieve actie verzwakken, omdat het de individuele onderhandelingsmacht van werknemers vergroot. Zo kan een situatie ontstaan waarin het recht van de sterkste zegeviert.

Het klopt dat werknemers die een basisinkomen krijgen meer ruimte zullen hebben om individuele beslissingen te nemen, als hun arbeidsomstandigheden onverdraaglijk zijn, maar dat betekent niet dat de collectieve machtspositie van de vakbond zal afnemen. Zoals veel vakbondsleden (in tegenstelling tot de vakbonden als instelling) begrepen hebben, zou een basisinkomen functioneren als een weerstandskas bij langdurige stakingen, die anders heel moeilijk vol te houden zouden zijn.

Ten tweede: Omdat de meerderheid van de vakbondsleden bestaat uit fulltime werknemers met vaste contracten en redelijk goed betaald in vergelijking met het gemiddelde inkomen (met name in Spanje waar de chronische werkloosheid rond de 19,4 procent schommelt), zouden zij er financieel op achteruit kunnen gaan vanwege de belastinghervormingen, die nodig zijn voor de financiering van het basisinkomen.

Fulltime vaste contracten zijn een zeldzaamheid geworden. In tegenstelling tot het conservatisme van een paar relatief goed betaalde werknemers (“Die durven! Die mensen doen niets, maar willen wel geld vangen, terwijl ik om zes uur op moet staan om de kost te verdienen!”) zijn er grote aantallen mensen die onder precaire omstandigheden werken en die veel te winnen hebben bij een basisinkomen. Dit soort vijandigheid tegenover zwakkere groepen is niet exclusief voor het basisinkomen.
Neem bijvoorbeeld het “Barcelona Solidaria” project. Nadat de gemeente Barcelona kaarten begon uit te geven voor een maandelijkse betaling van € 100 aan ieder kind onder de zestien uit gezinnen onder de armoedegrens (20.000 uit een totaal van 225.000 kinderen in deze leeftijdsgroep), belde een verkoopmedewerker van een warenhuis op om te klagen. Zij en haar collega’s waren het “spuugzat” met de manier waarop mensen de kaarten gebruikten om make-up, parfum, alcohol, grote tv’s en dergelijke in te slaan in plaats van noodzakelijke levensbehoeften.
De verkoopmedewerkers verdienen zelf heel weinig. Dit zou de oorlog van de verliezers tegen de echte verliezers genoemd kunnen worden, de kiem van het rechtse populisme, gevoed door hersenspoeling en een “barmhartigheids” mentaliteit van monotheïstische oorsprong: de armen moeten dankbaar zijn voor de kruimels die van de tafel van de rijke man vallen en mogen niet begeren wat op die tafel staat. Met een basisinkomen hebben deze winkelbedienden de keuze om te blijven werken en zich te ergeren aan de aankopen van arme mensen, of om iets doen wat zij misschien liever zouden willen, of om gewoon de hele dag op de bank te hangen.

Ten derde: Het basisinkomen is slechts een voorwendsel om de duur bevochten verzorgingsstaat te ontmantelen, met name het onderwijs en de volksgezondheid, een habbekrats “om af te vinken” in ruil voor de privatisering en afbraak van wat eens goede publieke diensten waren.

Ja, inderdaad, rechtse aanhangers van een “basisinkomen” willen de welvaarts- en verzorgingsstaat vernietigen in “ruil” voor een basisinkomen, en meer dan een paar mensen aan de linkerkant beweren dat dit het resultaat zal zijn. De gemeenplaats over de vernietiging van openbare voorzieningen is inmiddels zo algemeen en schadelijk geworden, dat op het laatste Internationale Congres van BIEN (Seoul 2016) de volgende resolutie om de statuten te wijzigen is aangenomen, zodat er nu staat:

Een meerderheid van de leden, aanwezig op BIEN’s Algemene Vergadering in Seoul op 9 juli 2016, heeft ingestemd met een basisinkomen, dat – in combinatie met andere sociale diensten – solide is wat betreft grootte en frequentie en hoog genoeg. Het maakt deel uit van een beleidsstrategie om materiële armoede te elimineren en geeft ieder individu de mogelijkheid om sociaal en cultureel te participeren. Wij verzetten ons tegen de vervanging van sociale voorzieningen of rechten, als die vervanging de situatie van relatief achtergestelden, kwetsbaren, of mensen met lagere inkomens verslechterd.

Een basisinkomen gefinancierd door middel van een systeem van progressieve belastingheffing zou de verzorgingsstaat verduurzamen en versterken. Een samenleving met een basisinkomen zou – zonder de logge en opdringerige bureaucratie, die nodig is voor het stelsel van voorwaardelijke uitkeringen – ook veel efficiënter functioneren.

Ten vierde: werkgevers zullen het basisinkomen gebruiken als excuus om de lonen te verlagen. Dit gebeurde ook toen jonge mensen op enig moment huursubsidie kregen. Onmiddellijk verhoogden de eigenaren de huurprijzen. Het zelfde gaat dus gebeuren met de lonen.

Het argument dat werkgevers het basisinkomen zullen gebruiken als excuus om de lonen te verlagen, herhaalt de redenering die gebruikt wordt om het verzet van sommige Italiaanse vakbondsleden tegen een nationaal minimumloon uit te leggen (hoewel deze visie niet alleen niet gedeeld wordt door vakbondsleden in staten waar deze wel bestaat, maar in feite grondig weerlegd is). Echter, als het “verhaal” luidt dat de huurprijzen worden verhoogd en de lonen gekort, gebruiken ze eenzelfde redenatie voor de omgekeerde gevolgen. Het punt is dat eigenaren/werkgevers in beide gevallen proberen te profiteren. Des te meer reden voor een basisinkomen om de onderhandelingspositie voor arbeiders te versterken.

Ten vijfde: het basisinkomen zet vraagtekens bij de cultus van werk van de vakbond, omdat het de materiële zekerheden en de rechten die samenhangen met betaald werk, loskoppelt. Philippe Martínez, secretaris-generaal van de Franse Confédération Générale du Travail (Algemene Confederatie voor Werk/CGT) stelt dit duidelijk in een recent interview gepubliceerd in de krant La Vanguardia: “Wij geloven dat – zolang de werkomstandigheden redelijk zijn – werk structuur geeft aan het leven, dat het een plaats is waar je leert omgaan met anderen en sociale relaties aangaat. Het biedt mensen iets wat hen behoedt voor een geïsoleerd bestaan waarin zij volledig op zichzelf teruggeworpen zijn. Daarom hebben we een aantal bedenkingen bij het basisinkomen.” Het belangrijkste doel is volledige werkgelegenheid omdat loonarbeid waardigheid geeft. Al het andere is onzin.

Vragen rond basisinkomen en werk zijn veel complexer en interessanter dan de uitspraken van de vakbondsman suggereert. Het is waar dat, met een basisinkomen, het fysieke voortbestaan niet langer afhankelijk is van het hebben van een baan, maar dit wil niet zeggen dat het strijdig is met werk. Het is eerder een creatievere manier om taken te delen in alle domeinen waarin mensen werk vinden. Philippe van Parijs licht deze ruime toepasselijkheid toe:

[Het basisinkomen] biedt een flexibele, intelligente vorm voor het delen van werk. Het maakt het makkelijker voor mensen die te veel werken om hun werktijd te verminderen of hun loopbaan te onderbreken. Het geeft werklozen de gelegenheid om de vrijkomende arbeidsplaatsen in te nemen, zelfs gemakkelijker als ze dat op een parttime basis kunnen doen, omdat de verdiensten worden opgeteld bij hun basisinkomen. En de stevige vloer die het basisinkomen biedt, zorgt voor een meer vloeiende overgang tussen werk, opleiding en gezin waardoor burn-out en vervroegde uittreding wordt voorkomen en mensen werk over een langer gedeelte van hun leven kunnen uitsmeren.

Door haar preoccupatie met betaald werk ziet de vakbond bovendien twee andere essentiële domeinen waarin mensen bezig zijn, namelijk vrijwilligerswerk en huishoudelijk (reproductief) werk, volledig over het hoofd. Een standpunt wat het onmogelijk maakt om te begrijpen welke gevolgen een basisinkomen zou hebben voor de meeste mensen. Onze definitie van werk zou veel breder zijn: “een verzameling van betaalde of onbetaalde activiteiten met als opbrengst goederen en diensten ten bate van het mensdom.”


De op werk gebaseerde tegenwerping kan ook feitelijk en moreel betwist worden. Feit is – bijvoorbeeld in het geval van het Koninkrijk Spanje – dat uit cijfers van de OESO blijkt dat de werkloosheid in meer dan vijfentwintig jaar tussen 1978 en 2015 hoger was dan 15 procent. Ierland neemt met afstand een tweede plaats in op deze troosteloze lijst met negen jaar. Volledige werkgelegenheid lijkt misschien een heroïsch doel, maar de belangrijkste vraag is: onder welke voorwaarden? Semi-slavernij of fatsoenlijke, goed betaalde banen? De gegevens laten zien dat semi-slavernij de trend is. Wat betreft werkende armen, cijfers van Eurostat uit 2015 tonen aan dat hun aantal ongeveer 13,2 procent uitmaakt van alle werkenden. Dat percentage is gestegen van 8,4 procent in 2009, voordat de crisis en de daarmee gepaard gaande beleidsmaatregelen de niet-zo-bevoorrechte burgers van Europa in haar greep kreeg. Aan de 13,2 procent moeten de zelfstandigen nog toegevoegd worden. Daarnaast, wat het beeld nog slechter maakt, verbergt dit getal grote verschillen tussen de EU-lidstaten. Het stijgt bijvoorbeeld naar bijna 20 procent voor Roemenië en meer dan 15 procent voor Griekenland. En, als puntje bij paaltje komt, concludeerde Michał Kalecki in 1943, kapitalisten zijn fel gekant tegen volledige werkgelegenheid. Werkloosheid dient hun economische en politieke belangen. Zo wordt het project van volledige werkgelegenheid een doodgeboren kindje.

De bewering dat (bezoldigd) werk waardigheid geeft, is een kwestie van normatieve aard. Niet het werk als zodanig geeft echter waardigheid. Je hoeft alleen maar te denken aan lopende bandwerk in grote fabriekshallen, kinderarbeid, schoonmaakwerk in hotels en een groot aantal andere ondergeschikte, vernederende banen. Maar datgene wat er uit voortvloeit: bestaanszekerheid en het recht om als vrije mensen te leven. Veel denkers, van Aristoteles tot Marx, die zich bezighielden met vragen rond vrijheid – de oorsprong van waardigheid – hameren er voortdurend op dat werk voor een deel slavernij is.

Zesde: als hun bestaanszekerheid gewaarborgd is, zullen werknemers hun vechtlust verliezen, waardoor werkgevers helemaal de vrije hand krijgen met als gevolg lagere lonen en afbraak van sociale voorzieningen.

De disciplinerende werking van grote aantallen werklozen, zoals economen als Michał Kalecki hebben opgemerkt, is meedogenloos. Het betekent steeds snellere acceptatie van dalende lonen en verslechterende omstandigheden vanwege de “grote angst” voor het verlies van je baan. Een basisinkomen zou deze disciplinerende werking doorbreken, een zeer belangrijk politiek punt waar de vakbonden rekening mee zouden moeten houden.

Deze zes punten zijn niet uitputtend. Ze bestrijken de redenen, die vakbondsleden wereldwijd meestal opvoeren om hun afkeer van het basisinkomen kenbaar te maken. We denken dat ze de moeite waard zijn om te bestuderen en te weerspreken, want dit is niet alleen een poging om meer voorstanders achter het idee van een basisinkomen te krijgen. Ze stellen ook fundamentele kwesties aan de orde over wat voor soort samenleving we willen en kunnen hebben, omdat de onderliggende mensenrechten die ermee gemoeid zijn altijd en voor iedereen hetzelfde zijn: vrijheid, rechtvaardigheid en waardigheid.

1. Universele Verklaring van de Rechten van de Mens met nieuwe aanvullende rechten voor iedere wereldburger noodzakelijk voor en aangepast aan een complexe, geglobaliseerde wereld (bijvoorbeeld omdat de natiestaat faalt in de bescherming van burgers).

Dit artikel werd op 11 januari 2017 gepubliceerd op CounterPunch als
Why Don’t Trade Unions Support an Unconditional Basic Income (Precisely When They Should)?

Auteurs: Daniel Raventós en Julie Wark

Daniel Raventós is docent Economie aan de Universiteit van Barcelona en auteur van onder andere Basic Income: The Material Conditions of Freedom (Pluto Press, 2007). Hij is redactielid van het internationale, politieke tijdschrift Sin Permiso. Julie Wark is adviserend bestuurslid van het internationale, politieke periodiek Sin Permiso. Haar laatste boek is The Human Rights Manifesto (Zero Books, 2013).

Vertaling: Florie Barnhoorn, 26-01-2017
www.basisinkomen-idee-van-de-hoop.nl

Met dank aan Scott Santens voor illustraties Nations A en B!

Vertaling: Florie Barnhoorn, 26-01-2017

Foto UTUC | Boedapest | Habeebee | Flickr.com Creative Commons