Geschiedenis van het basisinkomen

Het idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen heeft drie historische wortels:

  • ideeën voor een minimuminkomen verschenen voor de eerste maal aan het begin van de 16e eeuw;
  • aan het einde van de 18e eeuw kwamen ideeën op over een onvoorwaardelijke, eenmalige schenking;
  • de combinatie van beide concepten leidde rond het midden van de 19e eeuw voor de eerste keer tot plannen voor een onvoorwaardelijk basisinkomen.
Het minimum inkomen: de humanisten More (1516) en Vives (1526)

Raphael’s remedie tegen diefstal
Het idee van een door de overheid gegarandeerd minimuminkomen voor alle leden van een bepaalde gemeenschap is veel ouder dan het meer specifieke en radicale idee van een onvoorwaardelijk basisinkomen. Met de opkomst van de Renaissance werd de taak om voor het welzijn van arme mensen te zorgen niet langer beschouwd als het exclusieve domein van de Kerk en menslievende personen.
Sommige van de zogenaamde humanisten begonnen te spelen met gedachten over een minimuminkomen in de vorm van overheidssteun.
Thomas More In Thomas More‘s (1478-1535) Utopia,[1] in 1516 gepubliceerd in Leuven, verhaalt de Portugese reiziger Raphael Nonsenso, wandelend op het centrale plein van de stad Antwerpen, over een gesprek dat hij had met John Morton, de aartsbisschop van Canterbury. In dat gesprek, betoogde hij, bespraken ze een regeling, een meer scherpzinnige manier om diefstal te bestrijden dan het ter dood veroordelen van dieven, dat gepaard gaat met het wrange bijverschijnsel van een toename van het aantal moorden.

Ik dineerde eens bij de kardinaal toen er ook een zekere Engelse advocaat was. Ik ben vergeten hoe het ter sprake kwam, maar hij sprak met veel enthousiasme over de strenge maatregelen die toendertijd werden genomen tegen dieven. We hangen ze overal op, zei hij, ik heb er maar liefst twintig aan een enkele galg zien hangen. En dat vind ik zo vreemd. In aanmerking nemende hoe weinig van hen ermee wegkomen, hoe komt het dat we nog steeds geplaagd worden door zoveel rovers? Wat is er raar aan? vroeg ik – want ik aarzelde nooit om vrijuit te spreken in het bijzijn van de kardinaal. Deze manier van omgaan met dieven is zowel onrechtvaardig als ongewenst. Als straf is het te streng, als afschrikmiddel is het niet erg doeltreffend. Kruimeldiefstal is niet zo slecht dat het met de dood bestraft moet worden. En geen straf op aarde zal mensen afhouden van stelen, als het hun enige manier is om voedsel te krijgen. Wat dit betreft doen jullie Engelsen me, net als de meeste andere naties, denken aan die incompetente schoolmeesters die hun leerlingen liever met stokslagen bewerken dan hen te onderwijzen. In plaats van deze gruwelijke straffen op te leggen, zou het immers veel beter zijn om iedereen van enige middelen van bestaan te voorzien, zodat niemand voor de huiveringwekkende noodzaak komt te staan om eerst een dief te worden en dan een lijk.

Een pragmatisch, theologisch pleidooi voor overheidssteun
Het was echter Thomas More’s goede vriend en eveneens humanist, Johannes Ludovicus Vives (1492-1540), die beschouwd moet worden als de echte vader van het idee van een gegarandeerd minimuminkomen, want hij was de eerste die een gedetailleerde methode uitwerkte en deze van een uitgebreide argumentatie voorzag, gebaseerd op zowel theologische als pragmatische overwegingen.
Johannes-Ludovicus-Vives

Juan Luis Vives werd geboren in Valencia in een familie van bekeerde Joden. Hij verliet Spanje in 1509 om te ontkomen aan de Inquisitie, studeerde aan de Sorbonne, maar hij kreeg al snel genoeg van de conservatieve scholastieke filosofie die op dat moment in Parijs domineerde. In 1512 verhuisde hij naar Brugge en in 1517 naar Leuven, één van de belangrijkste centra van de humanistische beweging, waar hij in 1520 werd benoemd tot hoogleraar. Hoewel hij ook kort doceerde aan het Corpus Christi College in Oxford, bracht hij het grootste deel van zijn volwassen leven in de stad Brugge door, waar zijn standbeeld nog te zien is aan de oever van één van de belangrijkste grachten.
In een verhandeling gericht aan de burgemeester van Brugge onder de titel De Subventione Pauperum (Over Hulp aan de Armen), stelde hij in 1526 voor, dat de gemeentelijke overheid de verantwoordelijkheid gegeven zou worden om alle inwoners te verzekeren van een bestaansminimum, niet op grond van rechtvaardigheid, maar in het belang van een meer doeltreffende uitvoering van de barmhartigheid waartoe men moreel verplicht is. De ondersteuningsmaatregel zal nauwlettend afgestemd worden op de armen. Omdat overheidsambtenaren hen het beste kunnen bereiken worden zij belast met de leiding over de armenzorg. Om recht te hebben op hulp moet de armoede van een arm persoon niet onverdiend zijn, maar hij moet de hulp die hij krijgt verdienen door te bewijzen dat hij bereid is om te werken.

Zelfs aan degenen die hun fortuin in een losbandig leven hebben verbrast – door spelen, hoeren, overbodige luxe, gulzigheid en gokken – moet voedsel gegeven worden, want niemand zal van honger sterven. Aan hen zullen echter kleinere rantsoenen en meer vervelende taken toegewezen worden, zodat zij een voorbeeld voor anderen kunnen zijn. (…) Zij moeten niet sterven van de honger, maar ze moeten hem wel voelen knagen.

Ongeacht de oorzaak van hun armoede, de armen worden geacht te werken. Het moet zelfs mogelijk zijn om aan “de ouden en dommen werk te geven dat ze in een paar dagen kunnen leren, zoals kuilen graven, water halen of iets op hun schouders dragen.” We vragen aan de begunstigden van de regeling een dergelijke tol, zodat zij voor een deel bijdragen aan de financiering ervan. Maar ook om ervoor te zorgen dat ze “bezig en verdiept zijn in hun werk, zodat ze afzien van die boze gedachten en acties die ze zouden ondernemen als ze niets te doen hadden”. Deze zorg moet inderdaad ook uitgebreid worden naar degenen die rijk geboren zijn: keizer Justinianus had gelijk, volgens Vives, “in het opleggen van een wet die iedereen verbood om zijn leven in ledigheid door te brengen”. Als de armen geen parasieten mogen zijn, waarom de rijken dan wel?[2]

Op twee punten geeft Vives inzichten die latere denkers in de richting van een basisinkomen zullen voeren.

Al deze dingen die God schiep, zette Hij in ons grote huis, de wereld, zonder ze te omringen met muren en poorten, zodat ze aan al Zijn kinderen zouden toevallen.
Vandaar, tenzij hij mensen in nood helpt, hij die zich enkele van de geschenken van de natuur heeft toegeëigend is niet anders dan een dief, schuldig bevonden door de wetten van de natuur, want hij neemt en houdt wat de natuur niet exclusief voor hem gemaakt heeft.

Verder staat Vides er op dat hulp moet komen “voordat de nood de één of andere gekke of goddeloze actie uitlokt, voordat het aangezicht van de behoeftige bloost van schaamte … De goede daad die voorafgaat aan de harde en ondankbare noodzaak van het vragen is aangenamer en een meer eervolle reden voor dankbetuigingen”. Maar hij verwerpt expliciet de meer radicale conclusie dat het nog beter zou zijn als “de schenking gedaan zou worden voordat de behoefte ontstaat”, dat is precies wat een adequaat basisinkomen zou bewerkstelligen.

Van Vives naar de Armenwetten
Ontegenzeggelijk inspireerde Vives’ pleidooi een paar jaar later de Vlaamse gemeente Ieper tot het invoeren van een regeling. Het droeg ook bij aan een begin van bezielend handelen en denken over vormen van armenzorg, van de School van Salamanca van Francisco de Vitoria en Domingo de Soto (vanaf 1536) tot Engeland’s Armenwetten (van 1576 en later). Hoewel minder goed herinnerd dan zijn vrienden en beschermheren Erasmus en More, is Vives’ baanbrekende denkwijze over de verzorgingsstaat onlangs herontdekt.[3]

Hij wordt ook nog steeds herdacht aan zijn Alma Mater, de Universiteit van Leuven: een steen uit zijn huis is opgenomen in de muur van de “Universitaire Halle”, die het Rectoraat in het oude centrum van Leuven herbergt. En de vergaderzaal van de Hoover Leerstoel in Louvain-la-Neuve (Nieuw Leuven), waar het Collectief Charles Fourier in 1984-1986 bijeenkwam om over een basisinkomen te praten en de stichtingsvergadering van het Basic Income European Network voor te bereiden, is uitgeroepen tot “Vives Zaal”. Vives’ uiteenzetting is de eerste systematische verwoording in een lange traditie van sociaal denken en institutionele hervormingen met betrekking tot publieke werken van barmhartigheid en door de overheid georganiseerde inkomensafhankelijke regelingen toegesneden op de armen.

Montesquieu Ondanks de moeilijkheden en twijfels aangewakkerd door de uitvoering van de armenwetten, maakten de denkers van het nouveau régime overheidssteun tot een essentiële taak van de overheid. Vandaar Montesquieu: “De staat is al haar burgers een veilig bestaan, voedsel en geschikte kleding verschuldigd en een manier van leven die hun gezondheid niet schaadt”.[4] Deze gedachtengang leidde uiteindelijk tot de oprichting van uitgebreide, op nationaal niveau gefinancierde stelsels voor een gewaarborgd minimuminkomen in een groeiend aantal landen, waarvan de meest recente Frankrijk’s RMI (1988) en Portugal’s RMG (1997) zijn.

Een basisgift: de Republikeinen Condorcet (1794) en Paine (1796)

Condorcet over sociale verzekeringen
Tegen het einde van de 18e eeuw kwam echter een ander idee naar voren dat een nog grotere rol zou spelen in het lenigen van armoede in Europa. De eerst bekende persoon die het idee uitstippelde was de briljante wiskundige en politiek activist, Antoine Caritat, markies de Condorcet (1743-1794).

Nicolas-de-Condorcet Na een prominente rol in de Franse Revolutie gespeeld te hebben, als journalist èn als lid van de Conventie, werd Condorcet gevangen genomen en ter dood veroordeeld. In de gevangenis schreef hij zijn meest nauwgezette werk, de Esquisse d’un tableau historique des progrès de l’esprit humain (Schets van een historisch beeld van de vooruitgang van de menselijke geest; in 1795 postuum uitgegeven door zijn weduwe), waarvan het laatste hoofdstuk een korte schets bevat over hoe een sociale verzekering eruit zou kunnen zien en hoe het ongelijkheid, onzekerheid en armoede zou kunnen verminderen.

Er lijkt dus een onvermijdelijke oorzaak voor ongelijkheid, afhankelijkheid en zelfs van ellende te zijn, die voortdurend de meest talrijke en meest actieve klasse van onze samenlevingen bedreigt. Wij zullen laten zien dat we die voor een groot deel achter ons kunnen laten, door er geluk tegenover te zetten, door ondersteuning – het product van wat hij gespaard heeft, verhoogd door de besparingen van personen die hetzelfde offer brachten, maar stierven voordat voor hen de tijd kwam om de vruchten ervan te plukken – veilig te stellen voor degenen die een hoge leeftijd bereiken; door met behulp van een soortgelijke vergoeding vrouwen en kinderen, op het moment dat ze hun man of vader verliezen, te voorzien van bestaansmiddelen op hetzelfde niveau en tegen dezelfde prijs verworven, of het betrokken gezin nu getroffen werd door een vroegtijdige dood of het hoofd langer kon houden; en tenslotte door aan kinderen die oud genoeg geworden zijn om zelf te werken en een eigen gezin te stichten het voordeel van een kapitaal te geven nodig voor de ontwikkeling van hun activiteiten en verhoogd doordat een aantal te vroeg stierven om ervan te kunnen genieten. Deze methode danken wij aan de berekening van levenskansen en de belegging van geld. Het laatste is al met succes gebruikt, maar nooit op de schaal en met de verscheidenheid aan vormen die het echt nuttig zou maken, niet alleen voor een handjevol individuen, maar voor de gehele massa van de samenleving. Het zou de maatschappij bevrijden van het periodieke faillissement van een groot aantal gezinnen, die onuitputtelijke bron van corruptie en ellende.[5]

Dit opmerkelijke inspirerende idee zou een eeuw later uitmonden in de geboorte en ontwikkeling van Europa’s robuuste sociale zekerheidsstelsels, te beginnen met het ouderdomspensioen en de ziektekostenverzekering van Otto von Bismarck voor de beroepsbevolking van het verenigde Duitsland (vanaf 1883). Hoewel deze systemen niet specifiek op de armen gericht waren en zij enorme overdrachten aan niet-armen met zich meebrachten, hadden zij al snel een enorme invloed op armoede en overschaduwde hun ontwikkeling de groei van publieke bijstandsregelingen die tot een ondergeschikte rol gedegradeerd werden.

Aan de ene kant brachten sociale verzekeringen ons dichter bij een basisinkomen dan overheidssteun, omdat de sociale uitkeringen die het verdeelde niet beschikbaar waren gesteld op grond van mededogen, maar vanwege een recht, in dit geval op basis van betaalde afdrachten ten bate van het verzekeringssysteem. Maar op een andere manier leidde het ons van het basisinkomen af, juist omdat het recht op de uitkeringen nu gebaseerd is op het feit of jij of je werkgever in het verleden voldoende betaald hebben aan premies, meestal in de vorm van een bepaald percentage van je loon. Om deze reden – in tegenstelling tot de meer ruimhartige varianten van overheidssteun – kunnen zelfs de meest uitgebreide vormen van sociale verzekeringen niet zorgen voor een gegarandeerd minimuminkomen.

Condorcet en Paine over een basisgift
Het is echter precies dezelfde Markies de Condorcet, die als eerste – in de marge van zijn bespreking van de sociale zekerheid – kort het idee naar voren bracht van een uitkering niet uitsluitend voor de armen (die ons medelijden verdienen) of voor de verzekerden (die recht op een vergoeding hebben, indien de verzekerde gebeurtenis zich voordoet), maar om “aan kinderen die oud genoeg geworden zijn om zelf te gaan werken en een nieuw gezin te stichten het voordeel van een kapitaal te geven dat nodig is voor de ontwikkeling van hun activiteiten.”
Thomas-Paine Van Condorcet zelf is niet bekend of hij iets anders over het onderwerp heeft gezegd of geschreven, maar zijn goede vriend en collega-lid van de Conventie Thomas Paine (1737-1809) heeft het idee, twee jaar na de dood van Condorcet, gedetailleerder uitgewerkt in een gedenkschrift gericht aan het Directoire, het uit vijf leden bestaande leiderschap, dat Frankrijk gedurende het grootste deel van de periode tussen de onthoofding van Robespierre en de opkomst van Napoleon regeerde.

“Het is een stelling die niet weerlegd kan worden,” schrijft hij, “dat de aarde in zijn natuurlijke, onontgonnen staat is, en ook zo bedoeld is, om het gemeenschappelijk bezit van de mensheid te zijn en te blijven.” Als het land bewerkt wordt, “is het alleen de waarde van de verbetering en niet de grond zelf, dat in particulier eigendom komt. Iedere eigenaar dus van in cultuur gebracht land is aan de gemeenschap een grondrente (want ik weet geen betere term voor het idee) verschuldigd voor het land, dat hij in bezit genomen heeft en het is uit deze grondrente, dat het in dit plan voorgestelde fonds gerealiseerd zal worden.”

Uit dit fonds, “wordt aan elke persoon, wanneer deze de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt, de som van 15 £ sterling uitgekeerd, als een gedeeltelijke compensatie voor het verlies van zijn of haar natuurlijke erfenis, door de invoering van het systeem van grondbezit. Evenals een som van £ 10 per jaar gedurende de rest van zijn leven, aan iedere persoon die nu leeft, vanaf de leeftijd van vijftig jaar en aan alle anderen als zij die leeftijd bereiken”. Betalingen, benadrukt Paine,[6] moeten worden gedaan “aan iedereen, rijk of arm”, “want het is in plaats van zijn natuurlijke erfenis, die, als een recht, behoort aan ieder mens, bovenop de bezittingen die hij voortgebracht heeft, of geërfd van degenen die dat deden.”

Van Paine naar de Stakeholder Society
François-Huet Dit idee van een gelijke basisgift voor ieder die de volwassen leeftijd bereikt, verschijnt zo nu en dan weer, bijvoorbeeld in de geschriften van de Franse politiek filosoof François Huet. In zijn poging om het liberalisme en het socialisme te combineren, stelde hij voor dat aan alle jonge mensen een schenking zou worden gedaan, gefinancierd uit de belasting van de som van dat deel van het land en andere eigendommen die de legator zelf ontvangen heeft.[7]

Bruce Ackerman Anne Alstott Hetzelfde idee van een schenking, ook zoals bij Paine gecombineerd met een basispensioen, is meer recent nieuw leven ingeblazen en tot in detail uitgewerkt door twee professoren van Yale Law School, Bruce Ackerman en Anne Alstott.[8] De rechtvaardiging voor deze onvoorwaardelijke beurs van $ 80.000 is echter niet langer het gemeenschappelijk eigendom van de aarde, maar een brede opvatting van rechtvaardigheid en gelijke kansen.[9]

De utopische socialisten Charlier (1848) en Mill (1849)

Charles Fourier’s recht op levensonderhoud
Een onvoorwaardelijke schenking voor iedereen is in Paine’s optiek de rechtvaardiging voor ieder’s gelijke rechten op het eigendom van de aarde, niet een gegarandeerd inkomen.

William Cobbett

William Cobbett

Samuel Read

Samuel Read

Poulett Scrope

Poulett Scrope

Enkele 19de-eeuwse hervormers, zoals William Cobbett (1827), Samuel Read (1829) en Poulett Scrope (1833) in Engeland, hebben het ook zo opgevat om aan gewaarborgde inkomensregelingen een steviger basis te geven dan aan publieke liefdadigheid.[10]

Charles-Fourier De bekendste onder hen is de excentrieke en productieve Franse schrijver Charles Fourier (1772-1837), één van de radicale visionairs die Marx minachtend bestempelde als “utopische socialisten”. In La Fausse Industrie (De Verkeerde Industrie), betoogt Fourier dat de schending van iemands fundamentele natuurlijke recht om te jagen, te vissen, fruit te plukken en haar of zijn vee te laten grazen op de gemeenschappelijke gronden, inhoudt dat de “beschaving” een bestaansminimum verschuldigd is aan iedereen die niet in staat is om in zijn behoeften te voorzien, in de vorm van een zesde klas hotelkamer en drie bescheiden maaltijden per dag.[11] la-fausse-industrie

Het voornaamste recht – dat van de natuurlijke oogst, het gebruik van de gaven van de natuur, de vrijheid van de jacht, het verzamelen, het weiden – is het recht op voedsel, om te eten wanneer men honger heeft. Dit recht wordt in de beschaving niet afgewezen door filosofen en [wordt] erkend door Jezus Christus in deze woorden (…) Door deze woorden heiligt Jezus het recht, het nodige te nemen daar waar men het vindt, als men honger heeft en dit recht legt de sociale machten de plicht op te zorgen dat het minimum dat een mens nodig heeft voor zijn levensonderhoud veilig gesteld is: aangezien de beschaving hem beroofd heeft van zijn belangrijkste natuurlijke recht, die van de jacht, de visvangst, het plukken en grazen, is zij hem een vergoeding schuldig (…) Als de beschaafde stand de mens de vier terreinen ontneemt die hij nodig heeft om op een natuurlijke wijze te overleven – de jacht, de visvangst, het verzamelen en weiden die samen zijn eerste recht vormen – is de klasse die zich het land heeft toegeëigend, de klasse die benadeeld is, een rijk voorzien bestaansminimum verschuldigd vanwege het negende recht (een overvloedig levensonderhoud). Maar er zijn vele obstakels voor de toekenning van dit recht: ten eerste zou men de omschakeling naar de machinale vervaardiging van goederen, die een viervoudige opbrengst geeft en die voldoende is om een minimum te verstrekken, moeten begrijpen en ontrafelen. Aan de andere kant moet men, als velen verzekerd zijn van een royaal minimum en slechts weinigen af en toe zouden werken, een aantrekkelijk werkklimaat bedenken en zodanig organiseren dat mensen aan het werk blijven ondanks hun gevoel van welbehagen.

Fourier is echter zo duidelijk over het niet-universele karakter van de toekenning van dit inkomen in natura (slechts een minderheid zou worden ondergebracht in die zesde klasse hotels) als hij is over het ontbreken van een toets op arbeid: het is een onvoorwaardelijk recht voor de armen als compensatie voor het verlies van de directe toegang tot natuurlijke hulpbronnen.

Victor-Considerant Zijn leerling en leider van de fouriéristische school, Victor Considerant maakt een stap in de richting van een echt basisinkomen wanneer hij benadrukt dat, als werken dankzij het Phalanx-systeem aantrekkelijker geworden zou zijn, “men de arme leden van de gemeenschap een minimuminkomen zou kunnen doen toekomen met de zekerheid dat zij aan het einde van het jaar meer verdiend zouden hebben dan uitgegeven”. Maar ondanks de aard van de onderliggende rechtvaardiging, is armenzorg nog steeds niet omgezet in een universeel inkomen.

 Een phalanstère of phalanx

Een phalanstère of phalanx

Door de toewijzing van werk over groepen en categorieën die de mogelijkheid hebben ze aantrekkelijk te maken, zijn alle lagen van de samenleving ijverig op zoek naar werkplekken in alle takken [van nijverheid] voor oneindig gevarieerde sociale aanstellingen. Er zijn dus geen nietsnutten meer: men zal aan de arme leden van de samenleving een minimumvergoeding kunnen geven in de zekerheid dat ze aan het eind van het jaar meer verdiend zullen hebben dan zij moesten uitgeven. Dus de oprichting van een stelsel waaraan iedereen deelneemt zal armoede en bedelarij, die plagen van de maatschappij door anarchistische rivaliteit en versnippering, uitroeien. Tegenwoordig zou het onmogelijk zijn om de mensen een minimumtoelage te geven: zij zouden onmiddellijk in gemakzucht vervallen, omdat zij verwachten dat werken walgelijk is. Dat is de reden waarom het belasten van de armen in Engeland de afschuwelijke zweer van het pauperdom slechts heeft uitgebreid – een minimumtoelage is de basis voor vrijheid en de garantie voor de emancipatie van het proletariaat. Geen vrijheid zonder een bescheiden tegemoetkoming; geen minimum zonder aantrekkelijk werk. Het hele beleid voor de emancipatie van de massa’s is er al.[12]

Joseph Charlier’s grondrente
In 1848 echter, terwijl Karl Marx in een andere wijk van Brussel de laatste hand legde aan de voltooiing van het Communistisch Manifest, publiceerde de fouriéristische auteur Joseph Charlier (1816-1896) in Brussel (“bij alle boekverkopers van het Koninkrijk”), Joseph-Charlier-solution-au-problème-social zijn Solution du problème social ou constitution humanitaire (Antwoord op het sociale probleem door welwillendheid; 1848, p. 106), waarvan aangenomen wordt dat het de eerste formulering van een echt basisinkomen bevat. Ongetwijfeld geïnspireerd door de fouriéristische traditie, zag hij het gelijke recht op eigendom van grond als het fundament van een onvoorwaardelijk recht op enig inkomen. Maar hij verwierp het recht op inkomensafhankelijke bijstand, zoals die door Charles Fourier zelf bepleit werd, evenals het recht op betaald werk dat door zijn meest prominente leerling, Victor Considerant, werd verdedigd. De eerste, meende hij, keek alleen naar de gevolgen en de laatste bracht teveel inmenging van de staat met zich mee. Onder namen als “minimum” of “gegarandeerd inkomen” (en later “gronddividend”) stelde hij voor iedere burger jaarlijks een onvoorwaardelijk recht op een driemaandelijkse (later maandelijkse) betaling te geven van een bedrag vastgesteld door een representatieve nationale raad aan de hand van de huurwaarde van alle onroerend goed. In een later boek waarin hij zijn voorstel verder uitwerkt, noemt hij het “gronddividend”.[13] Een dergelijk systeem, zo betoogt hij, zou “de overheersing van kapitaal over arbeid” beëindigen. Zou het luiheid niet aanmoedigen? “Pech voor dagdieven: zij zullen een kleine toelage ontvangen. De plicht van de maatschappij reikt niet verder dan ieder’s eerlijk aandeel in het genot van wat de natuur schenkt veilig te stellen, zonder iemands rechten te schenden.” Alles boven het minimum moet worden verdiend.[14]

Mill’s vaardigst gecombineerde vorm van socialisme
Charlier’s koppige pleidooi werd nauwelijks gehoord en hijzelf was snel vergeten. Dit was geenszins het geval met een andere bewonderaar van het fouriérisme: John Stuart Mill. John-Stuart-Mill De relevante passage staat in de sympathieke bespreking van het fouriérisme die hij toevoegde aan de tweede editie van zijn Principles of Political Economy (Basisbegrippen in de Politieke Economie), dat een jaar na Charlier’s eerste boek gepubliceerd werd. Deze verhandeling schrijft ondubbelzinnig het voorstel van een niet-inkomensafhankelijk basisinkomen aan de fouriéristen toe:

Van alle vormen van socialisme is dat wat algemeen bekend staat als het fouriérisme, het meest bekwaam samengesteld en met een uitstekende blik voor wat betreft toekomstige bezwaren. Dit systeem is niet van plan privé-eigendom af te schaffen, zelfs vererving niet.
Naar eigen zeggen houdt het rekening met beide factoren kapitaal zowel als arbeid bij de verdeling van wat geproduceerd is (…) Bij de verdeling wordt eerst een bepaald minimum toegekend aan ieder lid van de gemeenschap, of hij in staat is om te werken of niet, voor zijn levensonderhoud. De rest van de opbrengst wordt in vooraf bepaalde verhoudingen verdeeld tussen de drie elementen arbeid, kapitaal en talent.

Het idee is er duidelijk en wel opgeschreven door één van de meest invloedrijke politieke denkers van de eeuw. Maar het zou nog eens zes decennia duren voordat er voor de eerste keer zoiets als een echte discussie ontstaat.[15]

Intensieve discussies over het basisinkomen in de 20e eeuw

In de 20e eeuw zijn drie periodes geweest waarin de discussie over het basisinkomen bijzonder intensief gevoerd werd.

  1. In Engeland werden tussen de beide wereldoorlogen onder namen als “sociaal dividend”, “staatbonus” en “nationaal dividend” voorstellen voor een werkelijk onvoorwaardelijk en universeel basisinkomen ontwikkeld en uitgebreid besproken.
  2. Na enkele jaren van stilte ontdekte men tijdens de zestiger en zeventiger jaren dit soort ideeën weer in de Verenigde Staten en kregen ze grote populariteit in debatten over “demogrants” en regelingen voor een “negatieve inkomstenbelasting”.
  3. In de late jaren 70 en vroege jaren 80 kwam een derde, nieuwe periode van debat en onderzoek op gang toen voorstellen voor een basisinkomen in verschillende landen in Noord-West Europa actief verkend werden. Los hiervan zag deze eeuw ook de invoering van ‘s werelds eerste programma voor een volwaardig basisinkomen in de vorm van het Alaska Permanent Fund, dat jaarlijks dividend uitkeert aan alle inwoners van Alaska.
Van strijdbaarheid naar respectabiliteit: Engeland in het Interbellum

Russell’s combinatie van anarchisme en socialisme
Bernhard Russell Het begon kalmpjes in Groot-Brittannië in 1918 tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog. In Proposed Roads to Freedom (Mogelijke Wegen naar Vrijheid), een kort en indringend boek dat voor het eerst gepubliceerd werd in 1918, pleitte de wiskundige, filosoof, politiek denker, nonconformist, militant pacifist en Nobelprijswinnaar voor de Literatuur, Bertrand Russell (1872-1970), voor een sociaal model dat de voordelen van het socialisme en anarchisme zou combineren. Een belangrijk onderdeel van dit model is een onvoorwaardelijk basisinkomen (OBi) “voldoende voor essentiële behoeften”.

De aantrekkelijke kant van het anarchisme is de vrijheid, het socialisme spoort aan tot werken. Kunnen we niet een methode vinden die deze twee voordelen combineert? Het lijkt mij van wel (…) Populair gezegd, het plan waar we voor pleiten komt in feite hier op neer: dat een bepaald klein inkomen, voldoende voor noodzakelijke levensbehoeften, aan iedereen moet worden gegarandeerd, of ze nu werken of niet, en dat een groter inkomen – zo veel groter als gerechtvaardigd is door de totale hoeveelheid geproduceerde basisprodukten – moet worden gegeven aan hen die bereid zijn om deel te nemen aan werk dat de gemeenschap nuttig vindt … Niemand mag worden gedwongen om te werken als zijn opleiding voltooid is. Degenen die ervoor kiezen om niet te werken zullen de middelen ontvangen voor een sober bestaan en volledig vrijgelaten worden.[16]

Milner’s staatbonus
In dat zelfde jaar publiceerde de jonge ingenieur, Quaker en lid van de Labour Partij, Dennis Milner (1892-1956), samen met zijn vrouw Mabel een kort pamflet getiteld Regeling voor een staatbonus (1918). dennis-milner-and-mabel-harris-1914-newcastle-journal Zij stelden met behulp van een reeks argumenten, ontleend aan verschillende bronnen, de invoering voor van een inkomen dat op een wekelijkse basis en onvoorwaardelijk betaald zou worden aan alle burgers van het Verenigd Koninkrijk. Een gemeenschappelijke voorziening van 20% van het BBP (Bruto Binnenlands Product) per hoofd van de bevolking, moest de “staatbonus” mogelijk maken en daarmee het probleem van de armoede, dat zo acuut was in de nasleep van de oorlog, oplossen. Omdat iedereen een moreel recht heeft op bestaansmiddelen, is enige verplichting tot werken, afgedwongen door te dreigen met het intrekken van deze middelen, uitgesloten. Milner werkte het voorstel vervolgens verder uit in een boek, dat onder de titel Higher Production by a Bonus on National Output (Hogere Productie door een Bonus op de Nationale Produktiviteit) door een respectabele uitgever werd uitgegeven.[17]

Veel van de argumenten die een centrale rol speelden in latere discussies kunnen in dit boek teruggevonden worden — van de werkloosheidsval tot flexibilisering van de arbeidsmarkt, van de lage benuttingspercentages naar de ideale aanvulling op winstdeling, maar de nadruk ligt op het voorbeeld van de “productivist”[18]: de staatbonus kan zelfs gerechtvaardigd worden om redenen van doeltreffendheid alleen.
Milner’s voorstel werd enthousiast gesteund door collega Quaker Bertram Pickard, verdedigd door het kortlevende State Bonus League (Liga voor een Staatbonus, de organisatie waarvoor Milner deelnam aan een nationale verkiezing), in 1920 besproken op het congres van de Britse Labour Partij en het daarop volgende jaar definitief verworpen.[19]

Major Douglas en de Social Credit Movement
Het duurde echter niet lang voor een andere Engelse ingenieur, Clifford H. (“Major”) Douglas (1879-1952), het idee overnam en met aanzienlijk meer effect. CH-Douglas Douglas was getroffen door de hoge productiviteit van de Britse industrie na de eerste Wereldoorlog en begon zich af te vragen wat de risico’s van overproductie zouden zijn. Hoe kan een bevolking, verarmd door vier jaar oorlog, de goederen nuttigen die in overvloed aanwezig zijn, als banken terughoudend zijn bij het geven van krediet en de koopkracht slechts heel langzaam stijgt? Om dit probleem op te lossen stelde Douglas (1924) in een reeks vaak wat warrige lezingen en geschriften, de invoering van ‘sociaal krediet’ mechanismen voor, waarvan één bestond uit het betalen van een maandelijks “nationaal dividend” aan alle huishoudens. De Social Credit Movement (Beweging voor Sociaal Krediet) genoot wisselend succes. Ze slaagde er niet in vaste voet te krijgen in het Verenigd Koninkrijk, maar trok veel aanhangers in Canada, waar een Social Credit Party (Partij voor Sociaal Krediet) de provincie Alberta tussen 1935 en 1971 regeerde, hoewel de partijleiding het idee om een nationaal dividend in te voeren snel liet vallen.

Cole en Meade over sociaal dividend
GDH-Cole Terwijl de populariteit van de Beweging voor Sociaal Krediet eerst aanzwol en vervolgens weer afnam onder brede lagen van de Britse bevolking, won het idee van het OBi terrein in een kleine kring van intellectuelen rond de Britse Labour Partij. Prominent onder hen was de econoom George D.H. Cole (1889-1959), de eerste bekleder van Oxford’s Chichele Leerstoel voor Sociale en Politieke Theorie (later bezet door Isaiah Berlin, Charles Taylor en G.A. Cohen). In verschillende boeken verdedigde hij resoluut wat hij als eerste noemde “sociaal dividend” (Cole, 1935; 1944:144).

Het huidige productievermogen is, in feite, het gemeenschappelijk resultaat van lopende inspanningen en het sociale erfgoed aan vindingrijkheid en vaardigheid verworven in de fase van vooruitgang en onderwijs dat nu zijn hoogtepunt bereikt in de produktie; en het heeft mij altijd alleen maar goed geleken dat alle burgers delen in de opbrengst van dit gemeenschappelijk erfgoed en dat alleen het saldo dat overblijft na aftrek van deze uitkeringen verdeeld dient te worden in de vorm van beloningen voor en prikkels aan diegenen die diensten verlenen aan de produktie.

In zijn presentatie van J. S. Mill in History of Socialist Thought (Geschiedenis van het socialistische gedachtengoed; 1953) lijkt Cole ook de eerste geweest te zijn die naar het idee van een UBI (OBi) verwees door de Engelse uitdrukking “basic income” te gebruiken. De term “basic income” (basisinkomen) verspreidde zich snel toen de discussie in de tachtiger jaren internationaal werd.[20]

James-Meade Een andere Oxford econoom, de Nobel laureaat James Meade (1907-1995), politiek minder actief maar met een veel bredere internationale reputatie dan Cole, verdedigde het “sociaal dividend” zelfs met nog grotere vasthoudendheid. Het idee van een sociaal dividend is als centraal bestanddeel van een rechtvaardige en efficiënte economie aanwezig in zijn Outline of an Economic Policy for a Labor Government (Schets van een Economisch Beleid voor een Labour Regering; 1935) en in verschillende andere vroege werken (Meade 1937, 1938). En het was ook een cruciaal onderdeel van het Agathotopia project, waaraan hij zijn laatste artikelen wijdde (1989, 1993, 1995): partnerschappen tussen kapitaal en arbeid en een sociaal dividend gefinancierd uit publieke middelen worden er gezamenlijk aangeboden als oplossing voor de problemen van werkloosheid en armoede. In Citizen’s Income Newsletter van december 2005 is een korte compilatie te vinden van het werk van James Meade, gepubliceerd ter gelegenheid van zijn overlijden tien jaar eerder. Klik hier.

Oskar Lange

Oskar Lange

Abba Lerner

Abba Lerner

Rond dezelfde tijd en plaats als het begrip “sociaal dividend” verscheen in het werk van James Meade, dook het ook op in een beroemde discussie over marktsocialisme tussen twee hoogleraren aan de London School of Economics, Oskar Lange (1904-1965) en Abba Lerner (1903-1982). In reactie op een opmerking van Lerner (1936), maakte Lange (1937) duidelijk dat de uitdrukking “sociaal dividend”, die hij gebruikt om te verwijzen naar het rendement op kapitaal dat in collectieve handen is, moet worden opgevat als onafhankelijk van bijdragen.

Juliet Rhys Williams Het is tegen de achtergrond van deze discussie in het Interbellum dat mede-liberaal Juliet Rhys-Williams (1943) een plan voorstelde voor een “nieuw sociaal contract”, waarvan het kernelement bestond uit een basisinkomen. Universeel maar niet echt onvoorwaardelijk, want beschikbaarheid voor werk bleef noodzakelijk voor de uniforme toelage. De uitbetaling van de subsidie werd bijvoorbeeld opgeschort tijdens stakingen. William-Beveridge1 Het was echter het alternatieve voorstel voor een nationaal minimuminkomen (onderdeel van een breder programma van samenvoeging van de nationale kinderbijslag en sociale verzekeringen) opgesteld in 1942 door een andere liberaal, William Beveridge, directeur van de London School of Economics, dat in Groot-Brittannië de overhand kreeg — en al snel elders in Europa zijn weg vond — waardoor OBi-achtige voorstellen degradeerden naar de rand van het beleidsrelevante debat in het Verenigd Koninkrijk.

Een kort bruisend leven: de Verenigde Staten in de jaren zestig

Drie Amerikaanse benaderingen van het gegarandeerde minimum
Het is in het turbulente Amerika van de zestiger jaren, op het hoogtepunt van de burgerrechtenbeweging, dat vanuit drie belangrijke bronnen van inspiratie, zich weer een echt debat over het universele basisinkomen ontwikkelt.

Robert-Theobald Ten eerste verdedigde Robert Theobald (1929-1999) en zijn Ad hoc-Comité on the Triple Revolutie (1964) in diverse publicaties een vaag omschreven gegarandeerd minimuminkomen op grond van overwegingen die herinneringen oproepen aan Douglas, zoals de overtuiging dat “automatisering betaald werk achterhaald maakt en dat overheidsgiften de enige manier zijn om het publiek de middelen te geven om de immense overvloed geproduceerd door robotten te kunnen kopen”. Een interview met Robert Theobald, Portrait of a Political Instigator, geschreven door Alan AtKisson staat hier.

Milton Friedman Ten tweede stelde de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Milton Friedman (1912-2006) in zijn populaire Capitalism and Freedom (Kapitalisme en Vrijheid; 1962) een radicale vereenvoudiging van de Amerikaanse verzorgingsstaat voor door de invoering van wat hij daarin een ‘negatieve inkomstenbelasting‘ noemde. Het voorstel van Friedman voor een lineaire negatieve inkomstenbelasting zou de inkomstenbelasting en overdrachtssystemen volledig integreren. (Zie ook de Historische tijdlijn van het idee van een Onvoorwaardelijk Basisinkomen, OBi.) Het werd aangeprezen als een eenvoudig en radicaal alternatief voor de lappendeken van bestaande regelingen voor sociale uitkeringen. Het plan zelf was bedoeld als een overgangsfase op weg naar een ideale, overdracht-vrije kapitalistische samenleving.[21]

James Tobin

James Tobin

John Kenneth Galbraith

John Kenneth Galbraith

Ten slotte – de belangrijkste – James Tobin (1918-2002), John Kenneth Galbraith (1908-2006) en andere liberale economen die in een reeks artikelen het idee van een gewaarborgd minimuminkomen begonnen te verdedigen dat algemener en genereuzer zou zijn en minder afhankelijkheid zou creëren dan de bestaande hulp-programma’s. Tobin, Pechman en Miezkowski publiceerden de eerste technische analyse van regelingen inzake een negatieve inkomstenbelasting in 1967, waarin ze openlijk uitkwamen voor een variant, die een automatische betaling aan alle burgers garandeerde. Een echt OBi dat Joseph Pechman een “demogrant” wilde noemen. In tegenstelling tot het voorstel van Friedman was Tobin’s regeling voor demogrants niet bedoeld om het hele systeem van sociale bijstand en verzekeringen te vervangen — laat staan om de verzorgingsstaat helemaal af te schaffen — maar alleen om zijn zwakke onderdelen aan te passen, zodat het stelsel voor sociale zekerheid een efficiënter en werk-vriendelijker instrument wordt om de inkomens van de armen te verhogen. Volgens het voorstel van Tobin, dat guller was dan dat van Friedman en nauwkeuriger dan dat van Theobald, zou elk huishouden een basiskrediet ontvangen waarvan de hoogte afhankelijk zou zijn van de samenstelling van het gezin. Iedere familie kon dat geld aanvullen met inkomsten uit arbeid en overige baten dat tegen een uniform tarief belast zou worden.[22]

Nixon’s Family Assistance Plan en McGovern’s steun voor de demogrant
In deze levendige en veelbelovende context in de lente van 1968 werd een petitie georganiseerd die het Amerikaanse Congres opriep “dit jaar een systeem van inkomensgaranties en supplementen aan te nemen”. Ze werd gesteund door James Tobin, Paul Samuelson, John Kenneth Galbraith, Robert Lampman, Harold Watts en meer dan duizend andere economen, hoewel niet door Milton Friedman. In een samenleving waarin het beroep op het bestaande inkomensafhankelijke sociale zekerheidsstelsel drastisch toenam, droeg deze petitie bij aan het ontstaan van een klimaat waarin de regering begreep dat zij het voortouw moest nemen. Daniel Patrick Moynihan Dit leidde tot het Family Assistance Plan (FAP; Plan voor Bijstand aan Gezinnen), een ambitieus sociaal programma opgesteld door de democratische senator Daniel Patrick Moynihan (1927-2003) in opdracht van de regering van de Republikeinse president Richard Nixon. Het FAP voorzag in de afschaffing van het hulpprogramma gericht op arme gezinnen (AFDC) en zorgde voor een gegarandeerd inkomen met financiële supplementen voor werknemers dat dicht in de buurt kwam van een regeling voor een negatieve inkomstenbelasting.[23]

Richard Nixon Het FAP werd in het openbaar gepresenteerd door President Nixon in augustus 1969, in april 1970 met een grote meerderheid in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden aangenomen, in november 1970 door de desbetreffende Commissie van de Amerikaanse Senaat afgewezen en in 1972 definitief verworpen door een coalitie tussen degenen die het te mager vonden en degenen die het te royaal vonden, ondanks verscheidene amendementen bedoeld om de oppositie tegemoet te komen.

Op advies van James Tobin werd een meer ambitieus plan voor de “demogrant” opgenomen in het programma voor de presidentsverkiezingen van 1972 van de democraat George McGovern, maar in augustus 1972 ingetrokken. George McGovern In combinatie met McGovern’s nederlaag tegen Nixon in november 1972, het begin van het Watergate-schandaal in maart 1973 en Nixon’s aftreden in november 1974, markeerde de verijdeling van het FAP in de Senaat het einde van de korte maar stormachtige opkomst van OBi-achtige ideeën in het debat in de VS.

De discussie ging echter door binnen meer academische kaders op grond van vijf grootschalige experimenten met regelingen voor een negatieve inkomstenbelasting (vier in de VS en één in Canada) en geschilpunten over de resultaten. Verschillende samenvattingen en analyses zijn gepresenteerd op vergaderingen van het U.S. Basic Income Guarantee Network (het Amerikaanse Netwerk voor een Gegarandeerd Basisinkomen). Dit artikel doet verslag van een panel waarin Robert A. Levine, Harold Watts en verscheidene andere mensen die betrokken waren bij het onderzoek zitting hadden. Dit is een overzicht van de literatuur met een lange bibliografie van Karl Widerquist. En hier is een artikel van Robert Harris, die uitvoerend directeur was bij de Presidentiële Commissie voor de Instandhouding van Inkomens. (Dit zijn Word-documenten die je kan downloaden).

Nieuwe koers: Noord-West-Europa in de tachtiger jaren

De eerste initiatieven: debatten in Denemarken en Nederland
Aan het einde van de zeventiger jaren, toen het debat over de demogrant vrijwel vergeten was in de Verenigde Staten, ontstond vanuit het niets in een aantal Europese landen discussie over een OBi, in totale onwetendheid van eerdere gedachtenwisselingen in Europa of Amerika.

Dus verdedigden in Denemarken drie academici een OBi-plan onder de naam “burgerloon” in een nationale bestseller die later in het Engels vertaald werd onder de titel Revolt from the Center (Opstand van het Midden; Meyer et al., 1978).[24]

Maar vooral in Nederland maakte de nieuwe Europese discussie over het OBi een vliegende start. De eerste stem die in dit debat gehoord werd, was die van J.P. Kuiper, een hoogleraar in de Sociale Geneeskunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Hij was getroffen door wat hij zag gebeuren: sommige mensen werkten zich letterlijk ziek, terwijl anderen ziek werden omdat zij geen werk konden vinden. Hij adviseerde daarom werk en inkomen te ontkoppelen als een manier om het de-humaniserende karakter van betaalde arbeid tegen te gaan: alleen een fatsoenlijk “gewaarborgd inkomen”, zoals hij het noemde, zou mensen in staat stellen om zich onafhankelijk en autonoom te ontwikkelen (Kuiper, 1976).[25]

In 1977 nam een kleine radicale partij (Politieke Partij Radikalen, PPR), een linkse afsplitsing van de Katholieke Volkspartij (KVP) en één van de voorlopers van GroenLinks, als eerste Europese politieke partij met parlementaire vertegenwoordiging officieel een OBi (Onvoorwaardelijk Basisinkomen) op in haar verkiezingsprogramma. De beweging groeide vrij snel, dankzij de betrokkenheid van de vakbond voor de voedingssector, de Voedingsbond, een onderdeel van de overkoepelende Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). Door het uitzonderlijk hoge aandeel aan vrouwen en deeltijdwerkers onder zijn leden, speelde de Voedingsbond een belangrijke rol in het Nederlandse debat in die tachtiger jaren. De bond nam het initiatief tot een reeks publicaties en acties waarin een OBi, gecombineerd met een drastische arbeidstijdverkorting verdedigd werd en verleende onderdak aan de Vereniging Basisinkomen.

In 1985 bereikte het debat in Nederland een eerste hoogtepunt toen de prestigieuze Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een sensatie veroorzaakte door de publicatie van Waarborgen voor Zekerheid.[26] In dit rapport sprak de raad zich ondubbelzinnig uit voor de introductie van een zogenaamd “gedeeltelijk basisinkomen”. Zo’n gedeeltelijk basisinkomen is een echt OBi, maar op een niveau onvoldoende hoog om in de behoeften van een alleenstaande te vooorzien en daarom niet geschikt als vervanging van het bestaande, voorwaardelijke systeem van sociale zekerheid.

Ontwikkelingen in Groot-Brittannië en Duitsland
Rond dezelfde tijd begon het debat ook in andere landen vorm aan te nemen, hoewel discreter. In 1984 vormde een groep academici en activisten, die zich rond Bill Jordan en Hermione Parker verzameld hadden, de Basic Income Research Group (BIRG; Onderzoeksgroep Basisinkomen) onder de bescherming van de National Council for Voluntary Organizations (Nationale Raad voor Vrijwilligersorganisaties) – waaruit in 1998 het Citizen’s Income Trust (Bond voor een Burgerinkomen) ontstond. Samuel-Brittan Ondanks de niet-aflatende steun van onafhankelijke geesten als de adjunct-redacteur van de Financial Times, Samuel Brittan en de welwillende houding ten opzichte van het idee waar de liberaal-democratische partij blijk van gaf, slaagde het OBi er niet in om de brede politieke middenstroom te bereiken — behalve in de zeer afgezwakte vorm van een babybond — noch in Blair’s New Labour beleid, noch onder Thatcher’s neo-liberalisme.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA In Duitsland kreeg Thomas Schmid, een eco-libertair uit Berlijn, de discussie op gang met zijn Liberation from False Labor (Bevrijding van Foute Arbeid, Schmid ed., 1984.) Diverse collectieve uitgaven afkomstig uit de groene beweging gaven richting aan en ontwikkelden dit eerste initiatief (Opielka & Vobruba 1986; Opielka & Ostner 1987).

Joachim Mitschke Grundsicherungsmodelle Op hetzelfde moment begon Joachim Mitschke (1985), hoogleraar Openbare Financiën aan de Universiteit van Frankfurt, een lange campagne ten gunste van een burgerinkomen (Bürgergeld) dat in de vorm van een negatieve inkomstenbelasting uitgekeerd zou worden. De val van de Berlijnse muur (1989) en de daaruit voortvloeiende hereniging van Duitsland (oktober 1990) maakte echter voor langere tijd een einde aan deze beginnende publieke discussie, ondanks de steun die zij genoot van gerenommeerde academici als Claus Offe (1992, 1996), gerelateerd aan de Groenen en in mindere mate Fritz Scharpf (1993), gelieerd aan de Sociaal-Democraten. Pas rond 2005 nadat de hereniging min of meer verwerkt was, genereerde een verrassende toenadering een rijk nationaal debat.

Het debat over een basisinkomen in Frankrijk
André-Gorz In Frankrijk kwam de discussie langzamer van de grond. De invloedrijke linkse socioloog en filosoof André Gorz (1923-2007) pleitte aanvankelijk voor een levenslang basisinkomen dat gekoppeld was aan een algemene sociale dienstplicht van 20.000 uur (Gorz, 1985). Maar zijn angst voor een sociaal leven dat volledig gekoloniseerd zou worden door betaalde arbeid zette hem ertoe aan een onvoorwaardelijk inkomen te verdedigen (Gorz, 1997).

Yoland Bresson Een heel andere invalshoek bood Yoland Bresson (1984, 1994, 2000), naar eigen zeggen een econoom van links-gaullistische huize, in een ingewikkelde redenering ten gunste van een universeel “bestaansinkomen” dat zou moeten worden vastgesteld op een objectief door de waarde tijd bepaald niveau.

Alain Caillé Alain Caillé (1987, 1994, 1996), leider van de “Movement against Utilitarianism in the Social Sciences” (Beweging tegen Utilitarisme in de Sociale Wetenschappen of MAUSS) stelde een onvoorwaardelijk inkomen voor om het fundamentele vertrouwen van de samenleving in hen die zijn uitgesloten van de arbeidsmarkt te tonen en in hun vermogen en bereidheid om te investeren in activiteiten van collectief belang.

Jean-Marc Ferry En Jean-Marc Ferry (1995, 2000), een filosoof uit de Habermas traditie, stelde in een betoog een OBi voor als een recht op burgerschap op het niveau en in de context van de Europese Unie, waarbij hij ervan uitgaat dat volledige werkgelegenheid in zijn oude betekenis voor altijd buiten bereik zal blijven en waar een “kwartaire sector” van maatschappelijk nuttige activiteiten moet worden ontwikkeld.

De oprichtingsvergadering van BIEN in Louvain-la-Neuve (België), 1986. Van links naar rechts op het podium: Riccardo Petrella, Greetje Lubbi, Anne Miller, Nic Douben, Philippe Van Parijs, Claus Offe, Bill Jordan.

De oprichtingsvergadering van BIEN in Louvain-la-Neuve (België), 1986. Van links naar rechts op het podium: Riccardo Petrella, Greetje Lubbi, Anne Miller, Nic Douben, Philippe Van Parijs, Claus Offe, Bill Jordan.

De geboorte en uitbreiding van BIEN
Deze bescheiden nationale debatten ontstonden onafhankelijk van elkaar. De intellectuelen die er aan deelnamen, waren niet op de hoogte van het grootste deel van de geschiedenis van het idee, zo niet van alles. Ze kwamen evenwel geleidelijk met elkaar in contact dankzij de oprichting van BIEN. In maart 1984 publiceerde een groep onderzoekers en vakbondsleden verbonden aan de Universiteit van Leuven (België) een provocerend OBi-scenario onder het gezamenlijke pseudoniem “Collectief Charles Fourier”. Het scenario deed mee aan een wedstrijd over de toekomst van werk, dat het Collectief een prijs opleverde waarmee het in Louvain-la-Neuve (België) in September 1986 de allereerste bijeenkomst organiseerde waar OBi aanhangers uit verschillende landen aan deelnamen. Aangenaam verrast door de ontdekking dat zoveel mensen geïnteresseerd waren in een idee waarvan ze dachten dat ze er bijna alleen voorstonden, besloten de deelnemers om het Basic Income European Network (Europees Netwerk voor een Basisinkomen, BIEN) op te richten. BIEN publiceert een regelmatige nieuwsbrief en organiseert om de twee jaar een conferentie. Zie http://www.basicincome.org/bien/.

De geboorte van soortgelijke netwerken in de Verenigde Staten, Zuid-Amerika en Zuid-Afrika, de intensivering van de contacten met reeds bestaande netwerken in Australië en Nieuw-Zeeland en de aanwezigheid van een toenemend aantal niet-Europeanen op conferenties, noopte de organisatie er toe om op haar 10e Congres, die in September 2004 in Barcelona gehouden werd, de betekenis van de afkorting BIEN om te zetten in Basic Income Earth Network (Mondiaal Netwerk voor een Basisinkomen). In oktober 2006 vond aan de Universiteit van Kaapstad (Zuid-Afrika) het eerste congres van dit nieuw gecreëerde, wereldwijde netwerk buiten Europa plaats.

Bescheiden maar echt: Alaska’s dividenden
De introductie en ontwikkeling van het enige systeem met een echt basisinkomen dat vandaag de dag bestaat, vond plaats ver weg van deze debatten. In het midden van de jaren zeventig verontrustte het Jay Hammond, de Republikeinse gouverneur van de staat Alaska (Verenigde Staten), dat de enorme rijkdom gegenereerd door de oliewinning in de Prudhoe Bay, het grootste olieveld in Noord-Amerika, alleen de huidige bevolking van de staat ten goede zou komen. Hij stelde de oprichting van een fonds voor om ervoor te zorgen dat deze rijkdom behouden zou blijven door een deel van de opbrengsten uit olie te investeren. In 1976 werd het Alaska Permanent Fund ingesteld door een amendement op de Grondwet van de Staat. Om de betrokkenheid van de bevolking in Alaska te stimuleren bij de groei en continuïteit van het Fonds, bedacht gouverneur Hammond een jaarlijkse dividendbetaling voor alle inwoners – maar in verhouding tot het aantal jaren dat zij in de staat verbleven.
Toen het voorstel ter beoordeling werd voorgelegd aan het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten, oordeelde dit College – op grond van discriminatie van immigranten uit andere staten – dat het in strijd was met de “gelijke beschermingsclausule”, het veertiende amendement van de federale grondwet. Het voorstel werd gewijzigd om dit bezwaar te ondervangen en omgevormd tot een echt universeel basisinkomen. Sinds de invoering van het programma in 1982 heeft iedereen die voor tenminste zes maanden officieel woonachtig is in Alaska – op dit moment ongeveer 650.000 mensen – ieder jaar een gelijk dividend ontvangen, ongeacht de leeftijd en het aantal jaren dat men in de staat verblijft.
Alaska-Permanent-Fund-Dividend-Division
Dit dividend komt overeen met een deel van de gemiddelde rente over de afgelopen vijf jaar op het permanente fonds opgezet met behulp van de inkomsten uit olie-exploitatie. Het Fonds werd in eerste instantie uitsluitend in de economie van de staat geïnvesteerd, maar werd later een internationale portefeuille, zodat de distributie van het dividend schommelingen in de lokale economie kon opvangen in plaats van ze te verergeren (Goldsmith, 2004). In de eerste jaren bedroeg het dividend ongeveer 300 dollar per persoon per jaar, maar in het jaar 2000 liep dit op tot bijna $ 2.000, tot de beurs kelderde en het dividend in de loop van een paar jaar gehalveerd werd. In 2008 piekten de jaarlijkse dividenden echter weer en kon $ 2.069 per persoon uitgekeerd worden. Alaska’s regeling voor de verdeling van de olie-dividenden is herhaaldelijk aan andere delen van de wereld ten voorbeeld gesteld, maar is nog steeds uniek – en heeft Alaska tot de meest egalitaire onder de Amerikaanse staten gemaakt.

“De geschiedenis van het basisinkomen” is gebaseerd op hoofdstuk 1 van L’allocation universelle (Het Basisinkomen) door Yannick Vanderborght en Philippe Van Parijs (aan een uitgebreide Engelse versie wordt gewerkt; deze zal gepubliceerd worden door Harvard University Press).

Yannick Vanderborght

Yannick Vanderborght

Philippe van Parijs

Philippe van Parijs

Simon Birnbaum

Simon Birnbaum

Karl Widerquist

Karl Widerquist

De webversie is bewerkt en ingekort door Simon Birnbaum en Karl Widerquist.
Zie voor de volledige lijst met referenties, Vanderborght, Yannick & Van Parijs, Philippe, L’allocation universelle; Parijs (2005): La Découverte.
Voor het laatste nieuws en publicaties over het basisinkomen, zie http://www.basicincome.org/bien/news.html.
Voor een uitgebreide bibliografie, zie http://www.usbig.net/bibliography.html.

Oorspronkelijk gepubliceerd als History of Basic Income, Part One and Two op http://www.basicincome.org/bien/aboutbasicincome.html

Uit het Engels en Frans vertaald door © Florie Barnhoorn


1. Thomas More, Utopia (Eerste Latijnse uitgave, Leuven, 1516), Engelse vertaling door Paul Turner, Harmondsworth: Penguin Classics, 1963, p. 43-44.
2. Juan Luis Vives, De Subventione Pauperum, Sive de humanis necessitatibus, 1526; Nederlandse vertaling in opdracht van de magistraten van Ieper: Secours van den Aermen, Antwerpen, 1533, herdrukt door Valero & Fils, Brussel, 1943, 114 p.; Franse vertaling door Ricardo Aznar Casanova: De l’Assistance aux pauvres (Hulp aan de armen), Brussel: Valero et Fils, 1943, 290 p.; Engelse vertaling van alleen deel II door Alice Tobriner: On the Assistance to the Poor (Over hulp aan de armen). Toronto & Londen: Uitgegeven door de Universiteit van Toronto (“Renaissance Society of America reprints”), 1998, 62 p.
3. Vives’ invloed op het denken over sociaal beleid is nadrukkelijk erkend in Spanje, bijvoorbeeld door de oprichting (in 1987) van de Fundacion Luis Vives, een stichting met vestigingen in Madrid en Brussel die Spaanse NGO’s op het terrein van sociaal beleid ondersteunt en door de oprichting (in 1998) van het Instituto de Seguridad Social Juan Luis Vives, een onderzoeksinstituut op het gebied van de verzorgingsstaat aan de Madrileense Universiteit Carlos III.
4. L’Esprit des Lois (De Geest van de Wet; 1748), afdeling XXIII/29, Parijs: Flammarion, Vol.2, p. 134.
5. Condorcet, Esquisse d’un tableau historique des progrès de l’esprit humain (Schets van een historisch beeld van de vooruitgang van de menselijke geest; Eerste uitgave, 1795), Parijs: GF-Flammarion, 1988, p. 273-274.
6. Thomas Paine 1796, p. 611; 612-613.
7. Zie Le Règne sociale du Christianisme (Het Sociale Bewind in het Christendom), Parijs: Firmin Didot & Bruxelles: Decq, 1853, pp 262, 271-3.
8. The Stakeholder Society (Maatschappij van Beheerders), New Haven: Yale University Press, 1999.
9. Voor een bespreking van voorstellen voor basisgiften in relatie tot het basisinkomen, zie The Ethics of Stakeholding (De Ethiek van Participatie), Keith Dowding, Jurgen De Wispelaere en Stuart White, (red). Basingstoke: Palgrave / Macmillan, 2003; en Rethinking Distribution (De Verdeling Heroverwogen), Erik O. Wright (red.) en het themanummer van Politics and Society (Politiek en Samenleving), 2003.
10. Zie voor een nuttig overzicht Horne, Thomas A. “Welfare rights as property rights”, in Responsibility, Rights and Welfare. The theory of the welfare state (Sociale zekerheidsrechten als eigendomsrechten in: Verantwoordelijkheid, Rechten en Sociale Zekerheid. De theorie van de verzorgingsstaat), Boulder & London: Westview Press, 1988, 107-132.
11. Charles Fourier, La Fausse industrie (De Verkeerde Industrie; 1836), Parijs: Anthropos, 1967, p. 491-492.
12. Victor Considerant, Exposition abrégée du système Phalanstérien de Fourier (Resumé van het Phalanx-systeem van Fourier), Parijs, 1845, het deel over “Plus de paresse – extinction de la misère et de la mendicité – armées industrielles.” (“Meer luilakkerij – uitroeiing van armoede en bedelarij – manschappen voor de industrie.”), p. 49.
13. La Question sociale résolue, précédée du testament philosophique d’un penseur, Brussel, Weissenbruch, 1894, 252 p. (De sociale kwestie opgelost, voorafgegaan door het filosofisch testament van een denker.)
14. Voor meer details, zie Cunliffe, John & Erreygers, Guido, “The Enigmatic Legacy of Charles Fourier: Joseph Charlier and Basic Income” (De Raadselachtige erfenis van Charles Fourier: Joseph Charlier en het basisinkomen), History of Political Economy 33 (3), Herfst 2001, 459-484. Het blijkt dat het idee van gemeenschappelijk eigendom van de waarde van de natuurlijke hulpbronnen als rechtvaardiging van een universeel basisinkomen niet beperkt blijft tot de fouriéristische traditie. Het duikt bijvoorbeeld later op in de vroege geschriften van Herbert Spencer Social statics (Sociale gegevens), London: J. Chapman, (1851) over landhervorming; in Henry George’s Progress and Poverty (Vooruitgang en Armoede, 1879; London: The Hogarth Press, 1953): pleidooi voor een “single tax” (één belastingtarief); in de normatieve teksten van Leon Walras Études d’economie Sociale (Studies in de Sociale Economie; 1896), Lausanne: Rouge, Parijs: Pichon & Durand-Auzias, (1936), één van de grondleggers van de wiskundige economie en het meest rigoureus in stukken van de Canadese links-libertaire politiek filosoof Hillel Steiner An Essay on Rights (Een Essay over Rechten), Oxford: Blackwell, (1994).
15. J.S. Mill, Principles of Political Economy (Basisbegrippen in de Politieke Economie), tweede uitgave, 1849, New York: Augustus Kelley, 1987, pp. 212-214, Boek II, hoofdstuk 1.
16. Bertrand Russell, Proposed Roads to Freedom. Socialisme, Anarchisme en Syndicalisme (Mogelijke Wegen naar Vrijheid. Socialisme, Anarchisme en Syndicalisme), London: Unwin Books (1918), pp 80-81 en 127.
17. Zie http://books.google.sn/books/about/Higher_production_by_a_bonus_on_national.html?id=lmYvAQAAMAAJ&redir_esc=y
18. http://nl.wikipedia.org/wiki/Productivisme
19. Over de Milners, Bertram Pickard, Major Douglas, James Meade, G.D.H. Cole en andere facetten van deze eerste publieke opkomst van het OBi, zie Van Trier (1995) A Most Neglected Movement.
20. De term basisinkomen verschijnt in de volgende context: “Mill beschouwde die vormen van socialisme die, ten koste van idealisme, een zekere graad van economische ongelijkheid accepteerden, als veel bruikbaarder. Op dit punt prees hij de fouriéristes, of liever gezegd die vorm van fouriérisme die eerst een basisinkomen toe wees aan allen en vervolgens het overschot van de produktie in delen verspreidde over kapitaal, talent of verantwoordelijkheid en werk dat daadwerkelijk gedaan was.” (p. 310).
Het Nederlandse equivalent (basisinkomen) werd al in 1934 in zijn eigen land gebruikt door Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen in verband met besprekingen over het programma van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), één van de voorlopers van de huidige Partij van de Arbeid (PvdA).

21. Voor Friedman’s eigen verklaring over het ontstaan van het idee en relevante referenties, zie de Suplicy-Friedman gedachtenwisseling in BIEN NewsFlash, 3 mei 2000 → http://www.basicincome.org/bien/pdf/NewsFlash3.pdf.
22. Zie voor relevante verwijzingen en Tobin’s eigen uitleg over hoe zijn demogrant-voorstel zich ontvouwde, de Suplicy-Tobin gedachtenwisseling in BIEN NewsFlash, 11 September 2001 → http://www.basicincome.org/bien/pdf/NewsFlash11.pdf
23. FB: pas in 1996 werd de AFDC (Aid to Families with Dependent Children) vervangen door TANF (Temporary Assistance to Needy Families), zie http://en.wikipedia.org/wiki/Aid_to_Families_with_Dependent_Children
24. Zie voor meer informatie onder andere http://www.lausti.com/articles/work/andersson.htm; http://www.amazon.com/Revolt-Centre-Niels-I-Meyer/dp/0714527025/ref=sr_1_3?s=books&ie=UTF8&qid=1415789632&sr=1-3; http://rudar.ruc.dk/handle/1800/17104; http://vbn.aau.dk/files/175508877/Paper_Christensen_Ydesen.pdf
25. Zie het rapport Verniewingen in het Arbeidsbestel (november 1981) van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) waarin uitvoerig stilgestaan wordt bij Kuiper’s ideeën over loskoppeling van arbeid en inkomen: http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/PDF-Rapporten/Vernieuwing_in_het_arbeidsbestel.pdf.
26. http://www.wrr.nl/fileadmin/nl/publicaties/PDF-Rapporten/Waarborgen_voor_zekerheid.pdf.↩

Geef een reactie