De Radicale Rol van het Basisinkomen

 

louise haagh

 

De belangrijkste winst van een universeel basisinkomen is de versterking van de democratie, doordat een fundamenteel recht van burgers, namelijk inkomenszekerheid, door de invoering ervan gewaarborgd is, betoogt Louise Haagh.

Veel misverstanden over het basisinkomen ontstaan, doordat er te hoge verwachtingen gewekt worden over wat het kan of zou moeten doen. Ruth Lister heeft deze ambivalentie onlangs duidelijk verwoord in een artikel in de Compass serie. Wat mij [L.H.] betreft, ik zie dat het basisinkomen een aantal fundamentele problemen, die in onze instituties spelen, aan de orde stelt. Het aanpakken van deze problemen zal bijdragen aan het oplossen van een reeks hedendaagse kwesties – maar dat hangt ook af van andere ontwikkelingen.

Net als Lister werd ik door het idee van een universeel basisinkomen aangetrokken, omdat het essentiële vragen opwerpt. Op grond waarvan ondersteunt de welvaartsstaat individuen? Wat zou de functie van de verzorgingsstaat in de huidige samenleving moeten zijn?

Ik vraag me af, waarom opvattingen over het garanderen van een inkomen op bestaansniveau de morele vooringenomenheid en het klassenbewustzijn van een voorbije eeuw hebben overleefd, terwijl die vragen niet gesteld worden bij de universele en onvoorwaardelijke beschikbaarheid van andere sociale verworvenheden. De sleutel ligt in het woord ‘inkomen’. Mensen zouden zich terecht zorgen moeten maken, als zij de indruk krijgen dat het de bedoeling is om inkomen uit arbeid uit te bannen. Als sommige voorstanders van het basisinkomen zeggen, dat zij de inkomens willen loskoppelen van werk, zouden zij eigenlijk moeten benadrukken dat zij inkomen en werk gedeeltelijk van elkaar willen scheiden. Dit zou het gemakkelijker maken om in te zien dat wij naar inkomenszekerheid op een zelfde manier kunnen kijken als naar publieke diensten, zoals gezondheidszorg en onderwijs, overheidstaken die nu ook al gewaarborgd zijn. Door een gegarandeerd inkomen kan iedereen meedoen in de maatschappij. Inkomenszekerheid voor allen zal een besef van basale gelijkheid en gemeenschapszin geven.

Dit grondidee – dat door een basisinkomen inkomenszekerheid bereikt kan worden voor iedereen – wordt weergegeven in het logo van het Basic Income Earth Network (BIEN). Het laat het zijaanzicht van een trap zien. De vloer is het breedste deel van de constructie. Deze basis wordt door iedereen gedeeld. Mensen kunnen groeien als de basis van hun fysieke bestaan zeker gesteld is. Sommige reiken verder en klimmen hoger dan anderen. Zij kunnen hun basisinkomen aanvullen met andere inkomsten en daarbij een scala aan dingen ondernemen. Deze voorstelling van inkomensgarantie verschilt niet echt heel veel van hoe we omgaan met andere kansen die we van de samenleving krijgen, zoals onderwijs dat aanvankelijk gratis gegeven werd, ongeacht de maatschappelijke inbreng van de ouders.

Inkomen en werk

De invoering van een basisinkomen betekent dus niet dat er een muur wordt opgetrokken tussen inkomen en werk. Een financiële compensatie biedt veel voordelen als erkenning van een bijdrage. Omdat geld een neutraal ruilmiddel is, dat sociale onderhandelingen over contractuele voorwaarden – belangrijk om verwachtingspatronen in goede banen te leiden – mogelijk maakt. Het basisinkomen moet in deze zin niet begrepen worden als een vervanging van inkomen uit arbeid, maar als bron van bestaanszekerheid. Naast ruilmiddel en betaalmiddel als tegenprestatie voor de erkenning en inzet van iemands arbeid en tijd, heb je geld gewoon nodig om te leven. Een beschaafde maatschappij maakt onderscheid tussen de verschillende functies van geld. Een basisinkomen – een instrument waar al lang naar uitgekeken wordt – is hier een onderdeel van. Het basisinkomen is een vloer, niemand zou daar doorheen moeten zakken. Door belastingaftrek en belastingvrije toeslagen ontvangen burgers met verschillende inkomens al een basisbedrag. Het universele basisinkomen gaat in principe niet over het herverdelen van geld, maar over de vloer waarop die verdeling plaats vindt.

Het opnieuw doordenken van voorwaarden en verplichtingen zal niet leiden tot vermindering van maatschappelijke deelname, zoals Lister en anderen terecht vrezen. Heroverweging van de toegangsvoorwaarden voor de sociale zekerheid moet antwoord geven op een noodzakelijke vraag: hoe kunnen we participatie stimuleren en blijvend ondersteunen? De bureaucratische verzorgingsstaat van vandaag heeft de verantwoordelijkheid voor deze zaken grotendeels op de schouders van het individu gelegd, waardoor de samenleving en beleidsmakers moeilijke vragen over de ontwikkeling van effectiever onderwijs en betere beroepsmogelijkheden konden ontlopen. Vanuit dit oogpunt is de belangrijkste verandering, die een hervorming door middel van een basisinkomen met zich mee zal brengen, de afschaffing van verplichtingen en voorwaarden voor essentiële inkomensondersteuning.

Prikkels en straf

Voorwaarden verbonden aan inkomenssteun hebben als doel om te stimuleren, maar er is een dunne lijn tussen prikkelen en straffen, wanneer de dreiging van het verlies van bestaansmiddelen permanent aanwezig is en bestaanszekerheid afhankelijk is gemaakt van aanvaarding van iedere aangeboden baan. Het huidige beleid is niet ontworpen om vooral kwetsbare groepen te straffen, maar dat kan wel het gevolg zijn. Het debat over het beleid gaat met recht over de vraag hoe de armoedeval verkleind kan worden, waarbij gedoeld wordt op het gebrek aan motivatie om een eigen inkomen te verwerven als de prijs voor de intrekking van de steun aan het noodzakelijke levensonderhoud te hoog is. Deze voorstelling van zaken betreffende de armoedeval laat echter buiten beschouwing dat er naast directe inkomsten uit arbeid ook andere redenen zijn die mensen motiveren. Het gaat om meer dan geld alleen bij de armoedeval. De armoedeval, door verschuiving van inkomsten, zet ook de bestaanszekerheid op het spel. Er is veel onderzoek gedaan, dat aantoont dat angst voor het verlies van bestaanszekerheid op korte termijn gedrag oproept, dat louter gericht is op zelfbehoud, terwijl de mogelijkheid om op de lange termijn te kunnen denken, juist gedrag stimuleert dat duurzaam is en gericht op zelfontplooiing. In Working-Life, Well-Being and Welfare Reform [Werk, Welzijn en Hervorming van de Sociale Zekerheid] presenteer ik nieuwe feiten en argumenten met betrekking tot dit onderwerp. Het tegenwoordige beleid van onze instituties motiveert mensen op de korte termijn – met een wortel en een stok. Het doel zou moeten zijn om iemand in staat te stellen om lange termijn doelen te ontwikkelen. Dat is goed voor individuen, gezinnen en de samenleving als geheel.

Hoe gaan we om met het risico dat een aantal mensen er voor zal kiezen om hun bijdrage aan de samenleving te leveren door een bescheiden bestaan op grond van een basisinkomen op te bouwen – iets wat zij nu niet kunnen doen zonder negatieve consequenties. Het is ontegenzeggelijk waar, dat dit een aantal netelige ethische kwesties opwerpt. Ik denk echter niet dat deze uniek zijn voor het basisinkomen. Het zijn maatschappelijke discussies die met enige regelmaat terugkeren. Veel instituties, die mensen voorbereiden op de arbeidsmarkt, hebben ook andere zelfstandige en nuttige functies. Het produceren van meer marktinkomsten is niet het enige doel van een basisinkomen. Dat is ook niet het enige doel van het openbaar onderwijs. Als iemand besluit om huisvrouw of huisman te worden, kunnen we waarschijnlijk nog steeds denken, dat de opleiding die zij hebben ontvangen, op de één of andere manier goed van pas zal komen. Er zijn mensen die riskante sporten beoefenen. De meerderheid – geen liefhebbers van deze vorm van vermaak – is verplicht om financieel bij te dragen aan de kosten die gemaakt moeten worden om deze mensen te verzekeren. Gevangenissen zijn duur. Er zijn met andere woorden veel terreinen, gefinancierd met behulp van publiek geld, die geen directe productieve waarde voor de markt hebben, maar die we wel waarderen. Als we inzien dat het bieden van bestaanszekerheid de belofte op leefbare gemeenschappen inhoudt, zullen we het basisinkomen op de juiste waarde schatten. Het is belangrijk om te bedenken, dat de prikkel om geld te verdienen en vooruit te komen niet per definitie wordt weggenomen na hervormingen door middel van een basisinkomen.

leg de lat hoog

Er gaan in Groot-Brittannië steeds meer stemmen op voor een beleid dat mensen motiveert om de lat hoger te leggen en langer onderwijs te volgen. Er is een grote behoefte aan het opleiden van nieuwe verpleegkundigen en dokters en om de zorg een echte professionele status te geven. Er is gebrek aan systemen die nieuwe vormen van sparen aanmoedigen, ook zijn nieuwe manieren voor financiering van de zorg broodnodig. Deze problemen kunnen niet één-op-één door een basisinkomen opgelost worden. Sommige vereisen veranderingen in de regelgeving om hogere salarissen te bedingen en de status van de beroepen in de zorg te verhogen.

Een basisinkomen kan evenwel een rol spelen bij de vereiste institutionele veranderingen. Een basisinkomen kan een persoon doen besluiten om langer onderwijs te volgen of weer een opleiding te gaan doen om daarmee de kans om langer deel uit te maken van het arbeidsproces te vergroten. Een basisinkomen is een vloer die het mogelijk maakt om te sparen voor de lange termijn en kan – samen met andere regelgeleide veranderingen – deel uitmaken van een herziening van de sociale zekerheid op een manier die een bredere welvaartsbasis mogelijk maakt en ondersteunt.

Dit brengt me terug bij de zorgen van Lister. Sommigen denken, dat het basisinkomen afbreuk zal doen aan onze houding tegenover werk. Ik zie het basisinkomen niet – als idee of in de praktijk – als contraproductief aan een goede werkethiek. Het is deze gedachtegang die in de eerste plaats ontkracht moet worden. Waarom blijven we de twijfelachtige aanname maar herhalen, dat mensen niet willen werken zodra ze bestaanszekerheid hebben? Het afzwakken of bij voorkeur opheffen van voorwaarden die nu de toegang tot inkomenszekerheid belemmeren, is slechts een kleine stap om een reeks meer ingewikkelde problemen aan te pakken, evenzogoed kan het een belangrijke stap zijn.

Lokale gemeenten in de Europese landen experimenteren met het verwijderen van toegangseisen voor de sociale zekerheid, omdat ze vinden dat deze niet werken. Het is echter belangrijk om veranderingen in systemen voor inkomensondersteuning te bekijken in samenhang met beleid, dat zorg draagt voor beroeps- en spaarmogelijkheden op de lange termijn. Stimulering van beleid op deze gebieden is ook nodig, omdat de bestaande systemen daar niet in slagen. Als we het basisinkomen plaatsen in deze driehoekige context, maakt het deel uit van een proces dat leidt tot economische instituties die beter toegerust zijn om verschillende taken in de samenleving op zich te nemen, met name ten behoeve van langlopende stimuleringsmaatregelen.

Als dit goed gedaan wordt, is de kans groot dat er een meer planmatig stimuleringsstelsel ontstaat, dat participatie beter kan waarborgen dan nu het geval is. Atkinson’s zorg over een tegenprestatie, die Lister ook benadrukt, is inderdaad belangrijk, maar het stellen van voorwaarden is misschien niet de beste oplossing vanwege de morele implicaties en dure handhavingsproblemen. Atkinson probeert te veel doelen te bereiken in een enkel beleid. In Policy and Politics  [Beleid en Politiek] en Basic Income Studies  [Studies naar het Basisinkomen] heb ik betoogd dat er geen principiële of praktische redenen zijn om het basisinkomen te zien als in strijd met complexere verzorgingsstaatarrangementen die – zoals in de Scandinavische landen – de ontwikkeling van mensen doelgerichter nastreven.

Een feministisch kader

Moeten feministen zich terecht zorgen maken bij de komst van een universeel basisinkomen? Nogmaals, mijn antwoord is hetzelfde. Het is niet realistisch om te verwachten dat alle problemen, die vrouwen in de moderne samenleving ondervinden, opgelost zullen worden door hervormingen die de introductie van een basisinkomen met zich mee zal brengen. De bestaanszekerheid die het basisinkomen biedt, zal voor sommige groepen en situaties gunstiger uitpakken dan voor andere. Maar omdat vrouwen gemiddeld meer en complexere vormen van onzekerheid ervaren dan mannen, zullen vooral vrouwen er op vooruit gaan. Het basisinkomen kan echter de problemen, die vrouwen ondervinden bij het verkrijgen van meer zeggenschap over hun werk en tijd, niet oplossen. Dat zijn sociale problemen waar regelgeving en collectief gedragen risicospreiding voor nodig is. Echt betaalbare kinderopvang, een meer evenwichtig verwachtingspatroon ten aanzien van werkbelasting en een afgewogen benadering van gender gerelateerde problemen op de arbeidsmarkt, zijn zaken die gecoördineerde oplossingen vereisen.

Dit brengt me ten slotte op een aantal argumenten die pleiten voor een overgang naar een meer duurzame vorm van sociale zekerheid voor de basis van de samenleving. Ik ben het met Lister eens dat de opkomende automatisering niet het principiële uitgangspunt moet zijn om te komen tot hervormingen door middel van de invoering van een basisinkomen. Ik zou zelfs nog verder willen gaan en er aan toevoegen: ook de toenemende onzekerheid, waar veel beroepssectoren mee te kampen krijgen, is niet de belangrijkste reden waarom overgangsvormen naar een basisinkomen verantwoord zijn. Het universeel basisinkomen kan een antwoord zijn op grote veranderingen in ons tegenwoordige systeem. Alleen het basisinkomen heeft, doordat het de bestaanszekerheid garandeert, een afdoend antwoord op de onzekerheid veroorzaakt door meer complexe en snel veranderende modellen van werkgelegenheid. Veel groepen echter – waaronder vakbonden – verwerpen deze redenering omdat het iets van onverschilligheid zou uitstralen.

Het basisinkomen heeft inderdaad functies waarvan bij een crisis een dempende werking kan uitgaan. Maar zijn rol op de lange termijn is van grotere betekenis. Zelfs als er sprake zou zijn van een terugslag in de vrijhandel, is het ongetwijfeld waar dat wereldwijde structuren van werkgelegenheid een ingewikkelde en blijvende verandering zullen ondergaan. In deze zin is een basisinkomen geen vervanging voor een groeiende behoefte aan een meer proactief ontwikkelingsbeleid en regulerende maatregelen op het niveau van de staat. Het basisinkomen is in potentie een vitale bron van democratische druk om dit soort reacties uit te lokken. Technologie kan ingezet worden voor de ontwikkeling van alternatieve vormen van werk voor mensen, bijvoorbeeld in de zorg, of ten behoeve van gezondheidsbevordering en milieubeheer. Een basisinkomen doet dat niet direct, maar het kan een indirecte rol spelen door een eerlijker machtsevenwicht in de samenleving te creëren. Het belangrijkste argument voor de invoering van een universeel basisinkomen, de vloer van ons toekomstige sociale stelsel, is democratisering.

Daarom zouden vakbonden het basisinkomen niet moeten zien als een bedreiging van hun macht om toekomstige werkgelegenheid vorm te geven. Het basisinkomen kan helpen bij het vinden van nieuwe collectieve vormen van werk, organisatie en het delen van risico’s. Het kan een heroverweging van rechten in relatie tot welzijn en werk in bredere zin ondersteunen. De kwaliteit van de arbeid staat niet los van de kwaliteit en beschikbaarheid van zorg in de samenleving, om één voorbeeld te noemen. De huidige uitvoering van de sociale zekerheid, gericht op de beheersing van het individu in zijn contacten met de arbeidsmarkt, isoleert individuen en versplintert de samenleving. Het basisinkomen heeft de mogelijkheid om nieuwe, meer directe relaties tussen burgers onderling aan te moedigen en een meer evenwichtige relatie tussen burgers en de staat te realiseren.

Dit artikel werd op 2 maart 2017 gepubliceerd in Social Europe als Basic Income’s Radical Role.
Auteur: Louise Haagh

Louise Haagh is lector Politieke Wetenschappen aan de Universiteit van York, redacteur van het wetenschappelijke tijdschrift Basic Income Studies en vice-voorzitter van BIEN (Basic Income Earth Network)

Vertaling: Florie Barnhoorn

De belangrijkste winst van een universeel basisinkomen is de versterking van de democratie, doordat inkomenszekerheid gewaarborgd is.